Bestuursstrafrecht

Dwangsom. De kantonrechter heeft een oud tarief toegepast. Het hof corrigeert dit.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 september 2021

Zaakgegevens

Op 28 september 2021 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
28 september 2021
Datum publicatie
28 september 2021
Zaaknummer
Wahv 200.270.551/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:9090
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dwangsom. De kantonrechter heeft een oud tarief toegepast. Het hof corrigeert dit.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.270.551/01

CJIB-nummer

: 219877089

Uitspraak d.d.

: 28 september 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 25 november 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard, vastgesteld dat de officier van justitie een dwangsom verschuldigd is en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij de hoogte van de in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep verschuldigde dwangsom is vastgesteld op € 310,-. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter bij de berekening van het bedrag van de dwangsom is uitgegaan van de onjuiste (oude) bedragen uit artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er had niet gerekend moeten worden met een bedrag van € 20,- voor de eerste veertien dagen en een bedrag van € 30,- voor de daarop volgende veertien dagen, maar, gelet op het tweede lid van voormeld artikel zoals dat gold ten tijde van het beroep, een bedrag van € 23,- voor de eerste veertien dagen en een bedrag van € 35,- voor de daarop volgende veertien dagen. Dit betekent volgens de gemachtigde dat in totaal een bedrag van € 357,- aan dwangsom toegekend had moeten worden.

2. Het hof stelt vast dat de dagtarieven voor het vaststellen van een dwangsom op 1 januari 2019 zijn gewijzigd naar € 23,- voor de eerste veertien dagen, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- en de overige dagen € 45,- per dag (artikel 4:17, tweede lid, van de Awb). Bepalend of de gewijzigde tarieven van toepassing zijn, is de datum waarop de ingebrekestelling door de officier van justitie is ontvangen (Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 14 november 2018, nr. 2406921, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, Stcrt. 22 november 2018, 65542). In het onderhavige geval heeft de officier van justitie op 4 april 2019 de ingebrekestelling ontvangen. De gewijzigde tarieven zijn dus van toepassing. De kantonrechter heeft onjuiste tarieven toegepast en daardoor de hoogte van de verschuldigde dwangsom niet juist vastgesteld.

3. De ingebrekestelling is op 4 april 2019 door de officier van justitie ontvangen. De officier van justitie is een dwangsom verschuldigd van 19 april 2019 tot 3 mei 2019, de datum waarop op het administratief beroep is beslist. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 322,- (14 x € 23,-). Het hof zal de beslissing van de kantonrechter op dit punt vernietigen en - doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen - bepalen dat de officier van justitie een dwangsom van € 322,- verschuldigd is.

4. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en
1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij de hoogte van de in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep verschuldigde dwangsom is vastgesteld;

bepaalt dat de officier van justitie aan de betrokkene een dwangsom van € 322,- verschuldigd is;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.