Bestuursstrafrecht
Zekerheid. De dagtekening van de zekerheidsbrief van de griffier kan als verzenddatum worden beschouwd. Op…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 maart 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:1858 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 9 maart 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2022-1858
Zaakgegevens
Op 9 maart 2022 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 maart 2022
- Datum publicatie
- 9 maart 2022
- Zaaknummer
- Wahv 200.291.834/01 en 200.291.909/01
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:1858
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Zekerheid. De dagtekening van de zekerheidsbrief van de griffier kan als verzenddatum worden beschouwd. Op die datum gaat de betaaltermijn lopen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummers |
: Wahv 200.291.834/01 en 200.291.909/01 |
|
CJIB-nummers |
: 222902517 en [nummer1] |
|
Uitspraak d.d. |
: 9 maart 2022 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissingen van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 29 januari 2021, betreffende
Stichting [de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.J.O. Zandt, kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissingen van de kantonrechter
De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen de beslissingen van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissingen van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaken op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft verweerschriften ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de beroepen schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaken zijn behandeld op de zitting van 23 februari 2022. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld.
2. De gemachtigde voert aan dat de brieven inzake zekerheidstelling van de griffier aan hem zijn gericht. Voor het eisen van zekerheidstelling van de gemachtigde bestaat geen wettelijke grondslag. Verder is het te betalen bedrag niet in de brieven vermeld. Dat geldt ook voor de uiterste betaaldatum. Nu de verzenddatum ook ontbreekt, kan de betaaltermijn daar evenmin uit worden afgeleid. Tot slot is het vermelde kenmerk in de brief van 22 december 2020 in het dossier betreffende CJIB-nummer [nummer1] onjuist.
3. Het hof heeft bij arrest van 30 november 2018 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:GHARL:2018:10471) geoordeeld dat een redelijke uitleg van artikel 11, vierde lid, tweede volzin, van de Wahv met zich brengt dat de zekerheidsbrieven tenminste moeten inhouden:
-
Dat op grond van een wettelijk voorschrift (artikel 11 van de Wahv) zekerheid moet worden gesteld voor betaling van de opgelegde sanctie en de administratiekosten.
-
Dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van de sanctie, inclusief administratiekosten. Indien de sanctie tenminste € 225,- bedraagt, dient zekerheid te worden gesteld voor de betaling van € 225,- en de administratiekosten. Voor personen die ten tijde van de gedraging nog geen 16 jaar oud waren, geldt de helft van deze bedragen.
-
De wijze waarop zekerheid dient te worden gesteld. Daarbij is niet voldoende dat wordt verwezen naar het digitaal loket van het CJIB, zonder ook te wijzen op de mogelijkheid van overschrijving van het verschuldigd bedrag op de rekening van het CJIB.
-
De termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld.
-
Dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft, het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
4. De dossiers bevatten twee brieven van de griffier van de rechtbank over de zekerheidstelling, een brief van 19 november 2020 en een brief van 22 december 2020. De stelling van de gemachtigde dat het in de brief van 22 december 2020 in het dossier betreffende CJIB-nummer [nummer1] vermelde kenmerk onjuist is, mist feitelijke grondslag. In de brief is het juiste CJIB-nummer en het daarbij behorende registratienummer van de rechtbank vermeld. Dat de brieven aan de gemachtigde zijn gericht, brengt niet mee dat de betrokkene niet geacht kan worden te zijn gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling. Artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht brengt mee dat als namens de betrokkene door een gemachtigde beroep is ingesteld, post hierover in ieder geval aan de gemachtigde wordt toegestuurd. Verder stelt het hof vast dat de brieven aan bovenvermelde eisen voldoen. Hieraan doet niet af dat het in concreto te betalen bedrag in de brieven ontbreekt. Van de betrokkene mag worden verwacht dat hij bekend is met de bedragen van de sancties, inclusief de administratiekosten. Verder kan de betaaltermijn uit de dagtekening van de brieven worden afgeleid. Niet is gesteld of gebleken dat dit een andere datum is dan de verzendatum van de brieven.
5. De beroepen zijn door de kantonrechter terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal die beslissingen dan ook bevestigen. Dit brengt mee dat het hof de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegd sancties niet kan behandelen.
6. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissingen van de kantonrechter.
wijst de verzoeken om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.