Bestuursstrafrecht
Gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats. Ten onrechte sanctie opgelegd voor parkeren op niet-gereserveerde…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 november 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:9667 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 10 november 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2022-9667
Zaakgegevens
Op 10 november 2022 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 10 november 2022
- Datum publicatie
- 10 november 2022
- Zaaknummer
- Wahv 200.301.835/01
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:9667
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats. Ten onrechte sanctie opgelegd voor parkeren op niet-gereserveerde plaats. Wijziging feitcode niet mogelijk i.v.m. aangepaste tarieven. Volgt vernietiging van de sanctiebeschikking.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.301.835/01 |
|
CJIB-nummer |
: 228650439 |
|
Uitspraak d.d. |
: 10 november 2022 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 13 augustus 2021, betreffende
[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “R402b - Parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 september 2019 om 23:35 uur op De Baan in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene herhaalt de gronden die ook bij de kantonrechter zijn aangevoerd. De plek waar het voertuig stond is geen gehandicaptenparkeerplaats. Ter adstructie verwijst de gemachtigde naar een afdruk van Google Maps. Het voertuig zou achter het wit belijnde vak met daarnaast het bord E6 hebben gestaan. Verder is voor de vermeende gedraging een verkeerde feitcode toegepast. De juiste feitcode is R402c.
3. Het dossier bevat diverse afdrukken van Google Maps van de situatie ter plaatse. Hierop staat het bord E6 steeds vrijwel helemaal rechts ter hoogte van een vak met witte belijning. Ook bevat het dossier foto’s van de gedraging waarop het betrokken voertuig is te zien. Ter hoogte van het midden van het voertuig is het bord E6 aan een paal te zien. Voor het voertuig is op de grond witte belijning aangebracht. Gelet op deze stukken acht het hof het niet aannemelijk dat het voertuig achter het wit belijnde vak met het bord E6 heeft gestaan. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de foto's en de gegevens in het dossier dan ook worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene op een gehandicaptenparkeerplaats stond die was gereserveerd voor een bepaald voertuig. Deze grond treft geen doel.
4. De vastgestelde gedraging is een overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeersteken (RVV 1990). De bij deze gedraging behorende feitcode is R402c.
5. De kantonrechter heeft overwogen dat de Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen (het hof leest: de bijlage als bedoeld in artikel 2 van de Wahv) voor beide feitcodes uitsluitend artikel 26 RVV 1990 vermeldt, derhalve zonder aan te geven dat feitcode R402b niet gebruikt mag worden in een situatie waarin artikel 26, eerste lid, aanhef onder c, van toepassing is.
6. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat in dit geval de verkeerde feitcode is toegepast. Feitcode R402b ziet op de situatie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, RVV 1990, waarin is bepaald dat op een gehandicaptenparkeerplaats slechts mag worden geparkeerd met een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk is aangebracht. Op een gehandicaptenparkeerplaats die is gereserveerd voor een bepaald voertuig mag slechts door dat voertuig worden geparkeerd. Voor het vaststellen van die gedraging is niet van belang of een gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar in het voertuig aanwezig was. Dat bij beide feitcodes is vermeld dat sprake is van overtreding van artikel 26, eerste lid, RVV 1990, doet aan het voorgaande niet af.
7. Ambtshalve stelt het hof vast dat het bij de feitcode R402b behorende bedrag van de sanctie met ingang van 1 maart 2022 is verlaagd van € 400,- naar € 310,-. Nu het bij feitcode R402c behorende sanctiebedrag hoger is dan het bij feitcode R420b behorende bedrag, kan in casu niet tot wijziging van de feitcode worden overgegaan.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Aan het verschijnen ter zitting dient een punt te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan het telefonisch horen door de officier van justitie een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.544,25 (= 1,5 x € 541,- x 0,5 + 3 x € 759,- x 0,5).
9. Het voorgaande brengt mee dat als volgt zal worden beslist.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.544,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.