Bestuursstrafrecht

Proceskostenvergoeding. De kantonrechter moet de wegingsfactor baseren op het gewicht van de zaak…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 maart 2023

Zaakgegevens

Op 27 maart 2023 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
27 maart 2023
Datum publicatie
27 maart 2023
Zaaknummer
Wahv 200.312.879/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:2597
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenvergoeding. De kantonrechter moet de wegingsfactor baseren op het gewicht van de zaak. Uitgangspunt is in Mulderzaken wegingsfactor 0,5 (licht). Door wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toe te passen met als motivering dat de matiging van de sanctie ambtshalve plaatsvindt, heeft de kantonrechter een onjuist criterium gehanteerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.312.879/01

CJIB-nummer

: 239620295

Uitspraak d.d.

: 27 maart 2023

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 8 juni 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en de inleidende beschikking gewijzigd in die zin dat het sanctiebedrag van de inleidende beschikking wordt gematigd tot € 310,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 189,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is gericht tegen de hoogte van de door de kantonrechter toegekende vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens de gemachtigde heeft de kantonrechter het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) niet juist toegepast. De kantonrechter heeft ten onrechte wegingsfactor 0,25 toegepast (gewicht van de zaak = zeer licht). Gelet op de jurisprudentie van het hof dient de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) te worden toegepast.

2. De kantonrechter heeft het gewicht van de zaak vastgesteld op "zeer licht" en de daarbij behorende wegingsfactor 0,25 als bedoeld in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb toegepast. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de grond voor matiging van het sanctiebedrag uitsluitend is gelegen in de gewijzigde regelgeving per 1 maart 2022 en de uitleg die het hof daaraan in het arrest van 28 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2330, heeft gegeven.

3. Het hof stelt vast dat de door de kantonrechter gebezigde argumenten geen betrekking hebben op het gewicht van de zaak, maar louter op de omstandigheid dat de kantonrechter ambtshalve is gehouden om tot matiging van het sanctiebedrag over te gaan. Deze argumenten nopen niet tot afwijking van het uitgangspunt dat het gewicht van de zaak als licht moet worden aangemerkt, zoals overwogen in van het arrest van 12 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3775.

4. Dit betekent dat de kantonrechter de hoogte van de voor de fase van het beroep bij de kantonrechter toegekende vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand onjuist heeft vastgesteld. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding, daarom vernietigen.

5. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus bedraagt de vergoeding van de proceskosten voor de fase van het beroep bij de kantonrechter € 418,50 (= 1 x € 837,- x 0,5).

6. Naar het oordeel van het hof bestaat in het onderhavige geval tevens aanleiding voor het toekennen van een vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten (vlg. het arrest van het hof van 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 837,-. Voor de fase van het hoger beroep, welke procedure slechts betrekking heeft op de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding, zal het hof de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toepassen. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten € 209,25. (= 1 x € 837,- x 0,25)

7. Het hof zal de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 627,75.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij is beslist op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 627,75.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.