Bestuursstrafrecht

Rekenfout in het door de kantonrechter gematigde sanctiebedrag. Het hof leest het dictum van de beslissing…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 juni 2024

Zaakgegevens

Op 17 juni 2024 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
17 juni 2024
Datum publicatie
17 juni 2024
Zaaknummer
Wahv 200.336.205/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:4065
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Rekenfout in het door de kantonrechter gematigde sanctiebedrag. Het hof leest het dictum van de beslissing van de kantonrechter in zoverre verbeterd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.336.205/01

CJIB-nummer

: 239233789

Uitspraak d.d.

: 17 juni 2024

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Midden-Nederland van 23 november 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,75. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 418,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 februari 2021 om 08:43 uur op de Rijksweg A6 in Lelystad met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene ten tijde van het vaststellen van de gedraging in de file stond op de A6. De betrokkene ontkent dat hij tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehad. Dat uit de gegevens van het zaakoverzicht iets anders blijkt is een gevolg van de omstandigheid dat de ambtenaar in Meos gebruikmaakt van een voorgeprogrammeerde tekst. Bovendien zijn de gegevens met betrekking tot de gedraging in het zaakoverzicht wel erg summier. De ambtenaar beschrijft slechts dat de bestuurder een mobiele telefoon heeft vastgehouden en dat bij de staandehouding een mobiele telefoon is aangetroffen. Dat mag laatste mag toch geen verbazing wekken, aangezien nagenoeg iedere automobilist op dit moment een mobiele telefoon bij zich heeft. Blijft de vraag waarom de ambtenaar meent te hebben waargenomen dat de bestuurder een mobiele telefoon vasthield. Dat blijkt onvoldoende uit het dossier, aldus de gemachtigde.

3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor onder meer een gedraging die door deze ambtenaar zelf is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon met de rechterhand vasthield. (…) Bij de staandehouding zag dat ik het een mobiele telefoon betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. (…)

Verklaring betrokkene: ik zat te klooien met de navigatie.”

5. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde aanvoert geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht. De omstandigheid dat de in het zaakoverzicht opgenomen tekst deels een standaardformulering betreft, brengt op zichzelf niet mee dat van deze verklaring niet mag worden uitgegaan. Wat resteert is een ontkenning van de gedraging door de betrokkene, zonder hiervoor (voldoende) argumenten te geven. Nu het dossier evenmin aanwijzingen bevat dat de verklaring niet juist is, ziet het hof daarom geen reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De aangevoerde grond faalt.

6. De gemachtigde van de betrokkene voert verder aan dat de kantonrechter het sanctiebedrag niet correct heeft gematigd. Het bedrag is door de kantonrechter van € 250,- gewijzigd in een bedrag

van € 187,75 in plaats van € 187,50.

7. Het hof stelt vast dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat het bedrag van de sanctie in dit geval wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting dient te worden gematigd met 25% overeenkomstig het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369. Vervolgens heeft de kantonrechter het sanctiebedrag van € 250,- abusievelijk gematigd tot een bedrag van € 187,75 in plaats van € 187,50. Het hof zal het dictum van de kantonrechter in zoverre verbeterd lezen.

8. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing. Er bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met dien verstande dat het dictum verbeterd wordt gelezen in die zin dat het sanctiebedrag is vastgesteld op € 187,50;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.