Bestuursstrafrecht
Overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Aan de brief van de RDW kon de betrokkene in…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 maart 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:1347 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 10 maart 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2025-1347
Zaakgegevens
Op 10 maart 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 10 maart 2025
- Datum publicatie
- 10 maart 2025
- Zaaknummer
- Wahv 200.345.224
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2025:1347
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Aan de brief van de RDW kon de betrokkene in redelijkheid de verwachting ontlenen dat hem een sanctie zou worden opgelegd. Daarmee is de redelijke termijn van berechting is aangevangen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.345.224/01 |
|
CJIB-nummer |
: 251184480 |
|
Uitspraak d.d. |
: 10 maart 2025 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 11 juli 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 200,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 1.343,-.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking van 4 augustus 2022 een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 13 juni 2022 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 200,-.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter het bedrag van de sanctie nog verder had moeten matigen met 25 procent omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg was overschreden. De betrokkene is middels een brief van de RDW met datum 13 juni 2022 op de hoogte geraakt van het feit dat hij een overtreding had gepleegd inzake het niet verzekerd hebben van een voertuig. Op dat moment begint de redelijke termijn te lopen. Ter onderbouwing is een afschrift van de brief meegestuurd. De advocaat-generaal stelt dat de betrokkene dit eerder had kunnen aanvoeren maar de betrokkene heeft dit in het beroep al aangevoerd. Aangevoerd is namelijk dat de registercontrole op 13 juni 2022 was en de tenaamstelling van het voertuig op 15 juni 2022 direct opnieuw is geschorst. Als de betrokkene pas op de hoogte was geraakt van de sanctie door middel van de inleidende beschikking, dan zou hij het voertuig twee dagen na de overtreding spontaan geschorst hebben. Ook ter zitting heeft de gemachtigde aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Daarnaast merkt de gemachtigde nog op dat hij regelmatig van kantonrechters in reactie op de grond dat de redelijke termijn is geschonden te horen krijgt dat de rechter dat ambtshalve moet toetsen.
4. De redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd.
5. De gemachtigde van de betrokkene heeft een brief afkomstig van de RDW overgelegd. Deze brief is gedateerd 13 juni 2022, geadresseerd aan de betrokkene en vermeldt het onder 1 genoemde kenteken. In de brief staat onder meer dat is gebleken dat voor het voertuig op 13 juni 2022 om 17.02 uur geen verzekering stond geregistreerd en er is medegedeeld dat als het voertuig niet verzekerd was de betrokkene in overtreding is. Het CJIB zal een boete van € 400,- sturen.
6. Het hof is van oordeel dat de betrokkene aan deze brief in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem een boete zou worden opgelegd. Dit betekent dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg daarmee is aangevangen. Nu de kantonrechter op 11 juli 2024 uitspraak heeft gedaan is de hier op twee jaren te stellen redelijke termijn van berechting in eerste aanleg overschreden. Het bedrag van de sanctie zal met 25 procent worden gematigd.
7. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding voor proceskosten in hoger beroep achterwege dient te blijven omdat de grond ten aanzien van de schending van de redelijke termijn eerder had kunnen worden aangevoerd.
8. De kantonrechter heeft reeds een vergoeding toegekend voor de proceskosten van de betrokkene. Deze vergoeding zou niet hoger zijn geweest indien de kantonrechter het bedrag van de sanctie verder zou hebben gematigd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Het hof stelt verder vast dat de informatie die nodig is om vast te kunnen stellen dat de redelijke termijn van berechting eerder is aangevangen dan met de toezending van de inleidende beschikking op 4 augustus 2022, pas in hoger beroep is overgelegd. Van een partij die zich op het standpunt stelt dat de termijn van berechting aanvang heeft genomen op een ander dan uit het dossier af te leiden moment, mag worden verwacht dat deze dit uitdrukkelijk stelt en onderbouwt, juist omdat anders bij de beoordeling die de rechter ambtshalve doet, geen rekening kan worden gehouden met dergelijke informatie. Dat bij de kantonrechter is aangevoerd dat de betrokkene op 15 juni 2022 de tenaamstelling van het kenteken heeft geschorst, wat volgens de gemachtigde kennelijk impliceert dat de betrokkene moet hebben geweten dat hij een overtreding had begaan, is onvoldoende om vast te stellen op welk moment vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd.
9. Gelet op het voorgaande kunnen de in hoger beroep gemaakte proceskosten niet als redelijkerwijs gemaakt worden aangemerkt en zal het hof het verzoek om vergoeding van deze proceskosten afwijzen.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het bedrag van de sanctie is bepaald op € 200,-;
wijzigt het bedrag van de sanctie in de inleidende beschikking in € 150,-;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.