Bestuursstrafrecht

Proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft geen proceskostenvergoeding toegekend voor de fase van het…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 maart 2025

Zaakgegevens

Op 24 maart 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
24 maart 2025
Datum publicatie
24 maart 2025
Zaaknummer
Wahv 200.349.354/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:1653
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft geen proceskostenvergoeding toegekend voor de fase van het administratief beroep. Nu de grond die heeft geleid tot wijziging van de inleidende beschikking voor het eerst in de procedure bij de kantonrechter is aangevoerd, terwijl dat in administratief beroep al had gekund, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de kantonrechter de redelijkerwijs gemaakte kosten anders had moeten waarderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.349.354/01

CJIB-nummer

: 255913143

Uitspraak d.d.

: 24 maart 2025

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en die beslissing alsmede de inleidende beschikking gewijzigd voor wat betreft de feitcode en de omschrijving van de gedraging. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 875,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich tegen de hoogte van de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de fase in administratief beroep.

2. Het hof stelt vast dat de kantonrechter in deze zaak de feitcode en omschrijving van de gedraging heeft gewijzigd, zodat de betrokkene in het gelijk is gesteld als bedoeld in het arrest van dit hof van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) en komen de redelijkerwijs gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking.

3. De kantonrechter heeft overwogen dat in deze zaak slechts de proceskosten voor wat betreft de kantonfase voor vergoeding in aanmerking komen. Uit de beslissing van de kantonrechter, tevens inhoudende het proces-verbaal van de zitting, volgt dat de grond die heeft geleid tot wijziging van de inleidende beschikking door de gemachtigde voor het eerst in de procedure bij de kantonrechter is aangevoerd. Nu de gemachtigde deze grond al had kunnen aanvoeren in administratief beroep maar dat niet heeft gedaan, ziet het hof geen aanleiding voor het oordeel dat de kantonrechter de redelijkerwijs gemaakte kosten anders had moeten waarderen dan hij heeft gedaan.

4. Het bovenstaande brengt mee dat de grond van de gemachtigde niet slaagt. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er daarom niet.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.