Bestuursstrafrecht

1. Verzuimbrief. De brief van de rechtbank is algemeen van aard en niet toegespitst op het beroep van de…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 april 2025

Zaakgegevens

Op 16 april 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
16 april 2025
Datum publicatie
16 april 2025
Zaaknummer
Wahv 200.335.895/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:2340
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

1. Verzuimbrief. De brief van de rechtbank is algemeen van aard en niet toegespitst op het beroep van de betrokkene. Met deze brief is de betrokkene niet op de juiste wijze in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. 2. Geen vast woonadres. Het is de verantwoordelijkheid van een betrokkene om gedurende een procedure bereikbaar te zijn voor correspondentie. Indien hij geen vast woonadres heeft, dient hij ervoor te zorgen dat hij over een (ander) correspondentieadres beschikt dan wel een gemachtigde in te schakelen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.335.895/01

CJIB-nummer

: 248661609

Uitspraak d.d.

: 16 april 2025

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. F. Aamri, kantoorhoudende te Utrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 2 april 2025. De gemachtigde is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen gronden zijn ingediend en dit verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn is hersteld.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep is gekomen, nu de brief van de griffier waarbij is gevraagd de gronden in te dienen de betrokkene niet heeft bereikt. De betrokkene had een gedeelte van 2022 en 2023 geen vast woonadres.

3. Gelet op artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een beroep eerst niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep indien de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gekregen om het verzuim te herstellen. In het midden latend of deze brief op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, stelt het hof vast dat in de brief van de griffier van de rechtbank van 21 september 2023, waarin de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 19 oktober 2023, wordt gewezen op twee mogelijke situaties, namelijk dat het beroepschrift geen gronden bevat en het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De brief is algemeen van aard en niet toegespitst op het beroep van de betrokkene. Of zich een van deze situaties voordoet met betrekking tot het door de betrokkene ingestelde beroep en zo ja welke is niet aangegeven. Deze brief geeft aldus niet aan dat en in welk opzicht er met betrekking tot het beroep van de betrokkene sprake is van een verzuim. Met deze brief wordt de betrokkene niet op juiste wijze op het verzuim gewezen. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de betrokkene overeenkomstig artikel 6:6 van de Awb in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen.

4. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek om gronden aan te voeren.

5. Namens de betrokkene is aangevoerd dat de betrokkene de brief van de officier van justitie, waarbij hij is gewezen op het verzuim om de gronden van het beroep in te dienen, niet heeft ontvangen. De betrokkene had een gedeelte van 2022 en 2023 geen vast woonadres. Zijn post werd verstuurd naar zijn postadres aan de [adres] in [woonplaats] maar door een conflict met de huurder van dat adres ontving hij de post niet. Van de beslissingen die via het CJIB werden verzonden kon hij digitaal kennis nemen. Tegen die beslissingen kon hij tijdig rechtsmiddelen aanwenden. Van de overige correspondentie kon hij geen kennis nemen. Voor de betrokkene was 2022 een moeilijk jaar. Hij heeft een ongeval gehad en er waren zakelijke moeilijkheden. In 2023 is hij uiteindelijk in een schuldhulpverleningstraject terecht gekomen. De gemachtigde stelt dat er slechts sprake is van een geringe verwijtbaarheid dat de betrokkene gedurende de procedure geen oplossing heeft gevonden om bereikbaar te blijven.

6. Het hof stelt vast dat de betrokkene op 22 april 2022 via het Digitaal Loket verkeer beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking. Het beroepschrift bevat geen gronden. Dat is wel verplicht (artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb). De officier van justitie heeft de betrokkene bij brief van 21 juni 2022 hierop gewezen en de gelegenheid gegeven om binnen een termijn van vier weken gronden in te dienen. Daarbij is gemeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als geen gronden worden ingediend. Deze brief is verstuurd naar het adres [adres] , [woonplaats] . Dat is het adres waarop de betrokkene op dat moment in de Basis Registratie Personen (BRP) stond ingeschreven. De inleidende beschikking was op 20 april 2022 ook naar dat adres verzonden. In het administratief beroepschrift is geen ander adres vermeld waar de betrokkene bereikbaar is noch heeft de betrokkene in dat beroepschrift of daarna (vóór 21 juni 2022) melding gemaakt van problemen met zijn bereikbaarheid.

7. Het hof stelt voorop dat het tot de verantwoordelijkheid van een betrokkene die op grond van de Wahv rechtsmiddelen aanwendt behoort om gedurende de procedure waarin dat rechtsmiddel wordt behandeld, bereikbaar te zijn voor correspondentie in die procedure. Dat brengt mee dat indien een betrokkene geen woonadres heeft, hij ervoor dient te zorgen dat hij over een ander correspondentieadres beschikt of een gemachtigde vraagt om zijn belangen te behartigen, in welk geval de correspondentie naar die gemachtigde wordt gezonden. De betrokkene dient ervoor te zorgen dat de instantie die het rechtsmiddel behandelt, daarover wordt geïnformeerd. Indien een betrokkene -in uitzonderlijke omstandigheden- redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht om over een (ander) correspondentieadres te beschikken of een gemachtigde in te schakelen, mag worden verwacht dat hij met de instantie die het rechtsmiddel behandelt in contact treedt om de situatie uit te leggen teneinde tot een oplossing inzake de bereikbaarheid te kunnen komen.

8. De officier van justitie heeft de brief van 22 juni 2022 op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. De gevolgen daarvan, dat de betrokkene van de inhoud daarvan geen kennis heeft kunnen nemen komen voor zijn rekening nu niet aannemelijk is geworden dat niet één van de hierboven genoemde alternatieven voor de betrokkene tot de mogelijkheden behoorde, in het bijzonder dat de betrokkene niet in het administratief beroepschrift of daarna melding heeft kunnen maken van problemen met zijn bereikbaarheid.

9. De officier van justitie heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit brengt mee dat het hof niet kan toekomen aan hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de inleidende beschikking en de hoogte van de sanctie. Met betrekking tot de grond dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd omdat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden overweegt het hof dat de officier van justitie in dit geval, op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder a, van de Awb, ervan heeft kunnen afzien om de betrokkene te horen, aangezien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van de gronden van het beroep.

10. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.