Bestuursstrafrecht
Negeren van een inhaalverbod voor vrachtauto’s: bord F3. De gegevens in het dossier zijn te summier om de…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 november 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:7338 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2025-7338
Zaakgegevens
Op 21 november 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 21 november 2025
- Datum publicatie
- 21 november 2025
- Zaaknummer
- Wahv 200.353.231/01
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2025:7338
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Negeren van een inhaalverbod voor vrachtauto’s: bord F3. De gegevens in het dossier zijn te summier om de gedraging te kunnen vaststellen. Uit de verklaring in het zaakoverzicht volgt weliswaar dat de ambtenaar heeft gezien dat een inhaalverbod was ingesteld, maar niet dat hij ook heeft gezien dat een voertuig werd ingehaald. De sanctiebeschikking wordt vernietigd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.353.231/01 |
|
CJIB-nummer |
: 251470907 |
|
Uitspraak d.d. |
: 21 november 2025 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 24 februari 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 43,35.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Uit de overwegingen van de beslissing van de kantonrechter volgt dat de toe te kennen proceskostenvergoeding € 45,35 bedraagt. Het hof zal daarom het dictum van de beslissing van de kantonrechter verbeterd lezen in die zin dat het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 45,35.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “negeren van een inhaalverbod vrachtauto’s: bord F3”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 augustus 2022 om 11.53 uur op de A15 in Opheusden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
3. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 187,50 omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Uit het dossier blijkt niet dat de betrokkene ook maar één voertuig zou hebben ingehaald. De verklaring van de ambtenaar voelt standaardmatig aan. Een aanvullend proces-verbaal op dit punt had in dit dossier niet misstaan. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte vijftien zaken heeft samengehangen. Hiertoe is van belang dat de zaken voor wat betreft de aangevoerde beroepsgronden verschillend zijn. Daarnaast zijn de data waarop beroep is ingesteld zodanig afwijkend dat van samenhang geen sprake kan zijn. Verder stelt de gemachtigde dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat geen aanvullende gronden zijn ingediend. Deze zijn ingediend op 27 januari 2025. De gemachtigde verwijst naar een verzendbewijs in de bijlage.
5. Ten aanzien van deze laatste grond stelt het hof vast dat zich in het dossier zoals het hof dat van de rechtbank heeft ontvangen geen aanvullende gronden bevinden. De gemachtigde heeft weliswaar een afschrift van een e-mail geadresseerd aan het e-mailadres van de rechtbank overgelegd, maar hieruit valt niet af te leiden wat de inhoud van de bijlage bij de e-mail is. De gemachtigde heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat aanvullende gronden zijn ingediend, zodat de overweging van de kantonrechter dat geen aanvullende gronden zijn ingediend niet als onjuist kan worden beschouwd.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het een permanent ingesteld inhaalverbod betrof. Onderbord dagverbod (ma – vr 6.00 – 19.00).”
8. Naar het oordeel van het hof zijn de gegevens in het dossier te summier om de gedraging vast te kunnen stellen. Uit de verklaring in het zaakoverzicht volgt weliswaar dat de ambtenaar heeft gezien dat een inhaalverbod was ingesteld, maar niet dat hij heeft gezien dat een voertuig werd ingehaald. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Het hof zal die dan ook vernietigen.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 890,38
(= (1 x € 647,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 890,38.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.