Bestuursstrafrecht
Verzet tegen dwangbevel. Zekerheid. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om zekerheid te stellen via een…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 maart 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:1499 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 11 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-1499
Zaakgegevens
Op 11 maart 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 11 maart 2026
- Datum publicatie
- 11 maart 2026
- Zaaknummer
- Wahv 200.361.415/01 en Wahv 200.361.416/01
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:1499
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet tegen dwangbevel. Zekerheid. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om zekerheid te stellen via een onderhandse pand- en subrogatieakte.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummers |
: Wahv 200.361.415/01 en Wahv 200.361.416/01 |
|
CJIBnummers |
: 268000793 en 268000787 |
|
Uitspraak d.d. |
: 11 maart 2026 |
Beschikking op de hoger beroepen inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikkingen van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 2 oktober 2025, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats].
De beschikkingen van de kantonrechter
De kantonrechter heeft de verzetten van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van twee op
10 juni 2025 uitgevaardigde dwangbevelen niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van de kantonrechter.
De Minister voor Justitie en Veiligheid heeft verweerschriften ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen de beroepen schriftelijk nader toe te lichten.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De hoger beroepen tegen beschikkingen van de kantonrechter als die hier aan de orde zijn slechts ontvankelijk na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten (en verder na betaling van het verschuldigde griffierecht). De zekerheid dient te worden gesteld door overboeking op de rekening van het CJIB.
2. Bij brieven van 10 oktober 2025 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene gewezen op de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag in beide zaken (€ 518,52) op de rekening van het CJIB. Uit een brief van de griffier van de rechtbank gedateerd 14 november 2025 aan de griffier van het hof blijkt dat dit bedrag binnen die termijn niet is overgemaakt aan het CJIB.
3. De betrokkene voert aan dat voor deze vordering reeds zekerheid is gesteld en dekking is verleend via een onderhandse pand- en subrogatieakte, opgemaakt namens de Stichting [naam]. Dit voldoet aan de vereisten van artikel 26a, tweede lid, van de Wahv.
4. De betrokkene is bij brieven van 10 oktober 2025 op de juiste wijze geïnformeerd over de verplichting tot zekerheidstelling in beide zaken en de wijze waarop aan deze verplichting moet worden voldaan. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om in zaken als hier aan de orde zekerheid te stellen op de door de betrokkene gedane wijze. Niet gebleken is dat het niet stellen van zekerheid de betrokkene niet kan worden toegerekend. Het hof zal de hoger beroepen dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Het hof komt daarom niet toe aan de beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de beslissing van de kantonrechter.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.