Bestuursstrafrecht

Parkeren voor een inrit of uitrit. Stond het voertuig vóór de in-/uitrit of erop?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 mei 2026

Zaakgegevens

Op 27 mei 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
27 mei 2026
Datum publicatie
27 mei 2026
Zaaknummer
200.360.265/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:3310
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Parkeren voor een inrit of uitrit. Stond het voertuig vóór de in-/uitrit of erop?

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.360.265/01

CJIB-nummer

: 265660279

Uitspraak d.d.

: 27 mei 2026

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 1 september 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats]

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 april 2024 om 00:18 uur op de Valkenboslaan in 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij parkeerde niet vóór een in/uitrit maar erop. Zoals blijkt uit de door de advocaat-generaal overgelegde foto’s, betreft de pleeglocatie een duidelijke in/uitritconstructie van waaruit weggebruikers voorrang moeten verlenen aan het verkeer op de doorgaande rijbaan. Indien de betrokkene naast het schuine gedeelte op de rijbaan zou hebben geparkeerd, had vastgesteld kunnen worden dat hij vóór een in/uitrit stond. In dit geval stond hij er duidelijk op, aldus de gemachtigde.

3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Hierin staat dat een bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren voor een inrit of een uitrit.

4. Om te kunnen vaststellen dat deze gedraging is verricht moet allereerst komen vast te staan dat ter plaatse sprake is van een in- of uitrit. De begrippen in- en uitrit zijn in de regelgeving niet gedefinieerd, omdat de veelheid van feitelijke situaties zich lastig in een definitie laat vangen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- of uitrit, is daarom van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij een uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als een in- of uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding (bijvoorbeeld de toegang tot een erf van een woning of bedrijfsunit) en de constructie van de uitmondingsituatie een belangrijke rol. Bij de vormgeving van een uitritconstructie kan daarbij worden gedacht aan een trottoir of fietspad langs de doorgaande weg dat op nagenoeg dezelfde hoogte en in soortgelijke verharding doorloopt over de zijweg en/of de toepassing van zogenaamde inritblokken.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat als verklaring van de ambtenaar:

“Ik, verbalisant, zag dat het betrokken voertuig voor een uitrit stond geparkeerd. Ik zag dat het voertuig het zicht op de overige weg onttrok.”

6. Bij het zaakoverzicht zijn fotografische opnames bijgevoegd. Ook de advocaat-generaal heeft foto’s overgelegd. Op deze foto’s is te zien dat het voertuig van de betrokkene staat geparkeerd op een betegelde strook, naast en parallel aan het grijs geasfalteerde gedeelte van de Valkenboslaan. Het voertuig bevindt zich net vóór de Ohmstraat die haaks staat op de Valkenboslaan. Tussen het voertuig en de Ohmstraat (en parallel aan het grijs geasfalteerde gedeelte van de Valkenboslaan) bevinden zich een fietspad en een trottoir. Daar waar het trottoir overgaat in de Ohmstraat zijn zogenaamde inritblokken geplaatst. Er liggen ook inritblokken naast het voertuig van de betrokkene, dus tussen de betegelde strook en het grijs geasfalteerde gedeelte van de Valkenboslaan. Voorts zijn ter geleiding van het verkeer dat de Ohmstraat in of uit wil rijden paaltjes geplaatst.

7. Het hof stelt op basis van deze foto’s vast dat ter plaatse, gelet op de constructie daarvan, sprake is van een uitmondingsituatie die als een in- of uitrit kan worden aangemerkt, te weten zowel daar waar het trottoir overgaat in de Ohmstraat als daar waar de betegelde strook (waar het voertuig van de betrokkene op staat) het grijs geasfalteerde gedeelte van de Valkenboslaan raakt. Dit blijkt met name door de toepassing van inritblokken en de aangebrachte paaltjes aldaar. Voor zover zou kunnen worden gezegd dat de betrokkene op (en dus niet voor) de in- of uitrit staat waar het betreft de uitmondingsituatie aan de zijde van de betegelde strook, geldt dit in elk geval niet voor die aan de Ohmstraat. Daar staat het voertuig van de betrokkene onmiskenbaar vóór (en niet op). Aldus staat vast dat de gedraging is verricht.

8. De aangevoerde grond treft geen doel. De beslissing van de kantonrechter zal daarom worden bevestigd. Aanleiding voor het toekennen van en proceskostenvergoeding is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.