Bestuursstrafrecht
Parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart. Het…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 juni 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4137 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 23 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4137
Zaakgegevens
Op 23 juni 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Datum publicatie
- 23 juni 2026
- Zaaknummer
- Wahv 200.358.628/01
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4137
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart. Het sanctiebedrag van € 350,- staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.358.628/01 |
|
CJIB-nummer |
: 260334323 |
|
Uitspraak d.d. |
: 23 juni 2026 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2025, betreffende
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 augustus 2023 om 15:59 uur op de Badlaan in Amstelveen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde stelt dat de betrokkene de gedraging ontkent. Uit de foto’s en de door de betrokkene overgelegde beelden blijkt dat het voertuig van de betrokkene geheel binnen een regulier parkeervak stond, waarbij uitsluitend de voorkant (bumper/neus) van het voertuig enigszins uitstak boven de belijning van de naastgelegen gehandicaptenparkeerplaats. De wielen van het voertuig bevonden zich volledig binnen het reguliere vak. Het verbod van artikel 26 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ziet uitsluitend op het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats. Dit artikel moet grammaticaal worden uitgelegd. Verder voert de gemachtigde aan dat het sanctiebedrag niet in verhouding staat tot de overtreding. Daarmee is de sanctie in strijd met het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Ook ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient het sanctiebedrag te worden getoetst.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een ondertekend proces-verbaal niet vereist is. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: Het voertuig stond geparkeerd op een door bord E6 RVV 1990 aangeduide parkeerplaats. Ik heb geen geldige gehandicaptenparkeerkaart waargenomen in het voertuig. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer 10 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaatsvond, zodat er geen sprake was van onmiddellijk laden of lossen van goederen, dan wel het in of uit laten stappen van personen. (…).
Bijlagen: een fotoblad. (…).”
5. Het dossier bevat daarnaast een aantal foto’s van de gedraging. Hierop is te zien dat het voertuig van de betrokkene naast de rijbaan aan de rechterzijde staat geparkeerd. Er zijn parkeervakken aangebracht door middel van donkergrijze tegels in de bestrating. Ter hoogte van het midden van het eerste parkeervak staat een grijze paal met daaraan bevestigd een bord E6 (gehandicaptenparkeerplaats) evenwijdig aan de weg geplaatst. De neus van het voertuig van de betrokkene bevindt zich ter hoogte van het bord E6. De voorzijde van het voertuig bevindt zich in het parkeervak. Het voertuig van de betrokkene staat voor het overige deel geparkeerd in het tweede parkeervak.
6. Uit het voorgaande blijkt dat het voorste parkeervak een gehandicaptenparkeerplaats betreft. Dit parkeervak is aangegeven door middel van donkergrijze bestrating. Aangezien de voorzijde van het voertuig van de betrokkene zich bevindt op de donkergrijze bestrating, kan worden vastgesteld dat het voertuig deels op de gehandicaptenparkeerplaats stond geparkeerd. Dat het voertuig voor het overige (overgrote) deel in het parkeervak erachter stond, doet hier niet aan af. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
7. Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde dat de hoogte van het sanctiebedrag niet voldoet aan het evenredigheidsbeginsel, overweegt het hof als volgt.
8. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze bijlage wordt elke jaar opnieuw vastgesteld. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. Naar het oordeel van het hof is een sanctiebedrag van € 350,- voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart niet onevenredig. Het sanctiebedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging, mede gelet op de kwetsbare positie van degenen voor wie dergelijke parkeerplaatsen bedoeld zijn. Er bestaat op grond van hetgeen de gemachtigde aanvoert daarom geen aanleiding om te oordelen dat het sanctiebedrag in strijd met het evenredigheidsbeginsel tot stand is gekomen.
10. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.