Bestuursstrafrecht
Parkeren op een plaats bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen. In hoger beroep is de…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 juli 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4901 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 28 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4901
Zaakgegevens
Op 28 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 200.362.852/01
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4901
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Parkeren op een plaats bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen. In hoger beroep is de opdrachtbon overgelegd, waarmee aannemelijk is gemaakt dat - als uitzondering op parkeren - sprake was van laden of lossen. De sanctiebeschikking wordt vernietigd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.362.852/01 |
|
CJIB-nummer |
: 265476511 |
|
Uitspraak d.d. |
: 28 juli 2026 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025, betreffende
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “een voertuig parkeren op een plaats bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 maart 2024 om 15.27 uur op de Botermarkt in Dordrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gedraging kan worden vastgesteld. Hij voert daartoe aan dat in administratief beroep reeds de opdrachtbon is overgelegd waaruit blijkt dat de betrokkene (het hof begrijpt: degene die het voertuig leaset van de betrokkene) bezig was met het lossen van een display van L’OR koffiebonen.
3. De kantonrechter heeft onder meer overwogen dat, gelet op de grootte van het display, sprake geweest kan zijn van laden en lossen, maar dat dat niet verder is onderbouwd met een opdrachtbon of iets van gelijke strekking.
4. Het hof stelt met de kantonrechter vast dat uit het dossier niet blijkt dat eerder in de procedure een opdrachtbon is overgelegd. Bij het hoger beroepschrift heeft de gemachtigde evenwel alsnog de opdrachtbon overgelegd. Hierop is vermeld “Display L’OR Bonen” bij de plaats Dordrecht en de datum 23 maart 2024. Naar het oordeel van het hof is namens de betrokkene aannemelijk gemaakt dat - als uitzondering op parkeren - sprake is van laden of lossen. De aangevoerde grond slaagt.
5. Gelet op het hiervoor overwogene kan de inleidende beschikking niet in stand blijven. Het hof zal als volgt beslissen.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Nu voor het eerst in hoger beroep een opdrachtbon is overgelegd, terwijl niet is gebleken dat de gemachtigde deze bon niet eerder in de procedure heeft kunnen overleggen, ziet het hof aanleiding om de vergoeding van proceskosten te beperken tot de procedure van het hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 116,75 (= 1 x € 934,- x 0,5 x 0,25).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 116,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.