Insolventierecht
Artikelen 349a lid 2 en 354 Fw. Beëindiging wnsp zonder schone lei, geen tweede verlenging van de looptijd om…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6098 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/insolventierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6098
Zaakgegevens
Op 22 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Datum publicatie
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- 200.371.259
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.A.J. Emonds
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6098
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikelen 349a lid 2 en 354 Fw.
Beëindiging wnsp zonder schone lei, geen tweede verlenging van de looptijd om boedelachterstand alsnog in te lossen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.371.259
insolventienummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 16/23/162
arrest van 22 september 2026
in de zaak van
[de schuldenaar] ( [de schuldenaar] )
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
advocaat: mr. M.A.J. Emonds
1 De procedure bij de rechtbank
Bij vonnis van 27 december 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) het faillissement van [de schuldenaar] omgezet in een wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp). Hierbij is mr. A.A.M. Hagens benoemd tot bewindvoerder (de bewindvoerder).
Bij vonnis van 19 juni 2025 heeft de rechtbank de looptijd van de wsnp verlengd met 12 maanden of zoveel korter tot de achterstand aan afdrachten aan de boedel is ingelopen.
Bij vonnis van 29 juni 2026 (het vonnis) heeft de rechtbank de toepassing van de wsnp van [de schuldenaar] beëindigd zonder dat daarbij aan hem de zogenoemde schone lei is verleend.
2 De procedure bij het hof
Door middel van een op 6 juli 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [de schuldenaar] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De bedoeling van het hoger beroep van [de schuldenaar] is dat het hof het vonnis vernietigt en een verlenging van de wsnp uitspreekt die [de schuldenaar] in staat stelt de boedelachterstand in te lopen.
Het hof heeft kennisgenomen van:
-
het beroepschrift met bijlagen
-
het bericht van mr. Emonds van 31 augustus 2026 met bijlagen
-
de brief van de bewindvoerder van 2 september 2026 met bijlagen
-
de brief van de bewindvoerder van 7 september 2026
-
het bericht van mr. Emonds van 11 september 2026 met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2026. Hierbij is mr. Emonds verschenen namens [de schuldenaar] . Daarnaast is de bewindvoerder verschenen. [de schuldenaar] was verhinderd om in persoon aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling en is telefonisch gehoord. Mr. Emonds heeft afgezien van het indienen van een verzoek tot het aanhouden van de mondelinge behandeling.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
De feiten
[de schuldenaar] is op fulltime basis werkzaam als regiomanager bij een autoschadebedrijf. Zijn (bruto) inkomen bedraagt circa € 7.000 per maand. Daarnaast ontvangt hij vier keer per jaar een winstdeling. Hij is gescheiden en heeft drie en een halve dag per week de zorg voor zijn twee minderjarige kinderen. Vanaf december 2025 woont [de schuldenaar] niet meer samen met zijn voormalige partner.
[de schuldenaar] heeft in het voorjaar van 2024 budgetbeheer ingeschakeld. Met ingang van 21 maart 2025 heeft hij het budgetbeheer opgezegd.
Tijdens de reguliere looptijd van de wsnp heeft [de schuldenaar] te weinig afgedragen aan de boedel. Om [de schuldenaar] in staat te stellen de ontstane boedelachterstand in te lopen heeft de rechtbank in het vonnis van 19 juni 2025 de looptijd verlengd met maximaal 12 maanden, tot uiterlijk 27 juni 2026. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat [de schuldenaar] de ontstane boedelachterstand gedurende de verlengde looptijd diende in te lopen met een maandelijkse aflossing van tenminste € 1.000 van zijn inkomsten uit arbeid. De boedelachterstand bedroeg op dat moment € 10.437,84.
Tijdens de verlengde looptijd heeft [de schuldenaar] twee keer een aflossing op de boedelachterstand voldaan: € 1.000 op 8 juli 2025 en € 500 op 22 september 2025. Na 22 september 2025 heeft [de schuldenaar] niet meer ingelost op zijn boedelachterstand.
Op 20 november 2025 heeft de rechter-commissaris het verzoek van [de schuldenaar] afgewezen om de looptijd van de wsnp te verlengen met zes maanden (tot 27 december 2026) en de afdracht te verlagen naar een bedrag van € 500 per maand.
De schuldenlast van [de schuldenaar] is vastgesteld op een bedrag van € 302.150,89. Het saldo op de boedelrekening bedroeg op 2 september 2026 € 15.956,48. De huidige boedelachterstand bedraagt € 13.408,95. Als [de schuldenaar] de verschuldigde boedelafdracht had voldaan tijdens de verlengde looptijd van de wsnp, was het uitdelingssaldo op 27 juni 2026 € 22.467,83 geweest.
De Rabobank heeft [de schuldenaar] diverse keren, onder meer in haar brief van 18 augustus 2026, gevraagd om een toelichting op 79 contante opnames van zijn bankrekening voor een totaalbedrag van € 12.878 in de periode tussen juli 2025 en juli 2026. Daarnaast heeft de Rabobank [de schuldenaar] om informatie verzocht ten aanzien van een aanzienlijk aantal uitgaande betaalverzoeken aan verschillende personen. Naar aanleiding van het verzoek van de Rabobank heeft ook de bewindvoerder [de schuldenaar] diverse keren, onder meer in zijn bericht van 24 augustus 2026, om aanvullende financiële informatie gevraagd. In een e-mailbericht van 10 september 2026 heeft [de schuldenaar] de Rabobank van een korte reactie voorzien. Hierin heeft [de schuldenaar] , onder meer en kort gezegd, aangegeven dat hij een voorkeur heeft voor contant betalen en dat de betaalverzoeken betrekking hadden op het terugbetalen van onder andere auto-onderdelen die hij had voorgeschoten voor kennissen.
Op 31 augustus 2026 heeft [de schuldenaar] een plan van aanpak overgelegd aan de hand waarvan hij tijdens een tweede verlenging van de wsnp tot uiterlijk 27 december 2028 de boedelachterstand wil voldoen en het ontstaan van nieuwe schulden wil voorkomen. Het plan van aanpak voorziet in een volledige aflossing van de boedelachterstand in oktober 2028. Het plan is gebaseerd op een maandbudget waarin naast een maandelijkse aflossing van € 350 voor de wsnp-achterstand de eerste tien maanden ook een aflossingsverplichting van € 300 per maand is opgenomen voor een betaalregeling met zijn energieleverancier Oxxio. Na afloop van de betaalregeling met Oxxio is de € 300 per maand bestemd voor een extra aflossing op de wsnp-achterstand. Het plan voorziet in een bedrag van maximaal € 1.791,05 voor aanvullende rente- of nadeelcompensatie ten behoeve van de schuldeisers. Als waarborg voor het nakomen van de aflossingsverplichting is het plan onder meer gebaseerd op automatische betaling via budgetbeheer.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft de wsnp beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Naar het oordeel van de rechtbank is een tweede verlenging van de looptijd van de wsnp niet gerechtvaardigd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat [de schuldenaar] bij een tweede verlenging wel aan zijn verplichtingen zal voldoen. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat [de schuldenaar] tijdens de eerste verlenging, ondanks zijn goede inkomen, slechts twee keer een bedrag heeft afgedragen en dat zijn verzoek om zijn aflossingsverplichting te verlagen is afgewezen, maar dat hij ook dat mindere bedrag niet heeft afgedragen of voor zijn schuldeisers heeft gespaard.
Het standpunt van [de schuldenaar]
[de schuldenaar] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. [de schuldenaar] erkent dat hij tijdens de verlenging van de looptijd van de wsnp niet heeft voldaan aan zijn afdrachtplicht en dat als gevolg daarvan een boedelachterstand resteert van € 13.408,95. Volgens [de schuldenaar] was hij niet meer gemotiveerd om aan zijn verplichtingen te voldoen als gevolg van de zware psychische periode waarin hij zich bevond in combinatie met de zwaardere (financiële) lasten na het beëindigen van het samenwonen met zijn toenmalige partner. Volgens [de schuldenaar] is hij inmiddels bereid en in staat om de boedelachterstand volledig in te lopen, zoals blijkt uit het door hem overgelegde plan van aanpak. Doordat hij budgetbeheer heeft aangevraagd, zal deze keer wel worden voldaan aan de maandelijkse afdrachtverplichtingen waarin het budgetplan voorziet, aldus [de schuldenaar] . [de schuldenaar] voert aan dat een nieuwe verlenging van de looptijd van de wsnp ook in het belang is van zijn schuldeisers vanwege de uitkering die zij bij het inlopen van de boedelachterstand zullen ontvangen. Daarnaast geeft [de schuldenaar] aan dat hij bereid is de schuldeisers met een extra bijdrage aan de boedel te compenseren voor rente die zij zijn misgelopen over de periode van de achterstand.
Het oordeel van het hof
Op grond van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) moet bij het einde van de wsnp-termijn worden beoordeeld of de schuldenaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit die regeling voortvloeiende verplichtingen en als dat zo is of de tekortkoming aan hem kan worden toegerekend. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. In geval van een toerekenbare tekortkoming kan de rechter bepalen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft (artikel 354 lid 2 Fw).
Anders dan bij de afloop van de reguliere wsnp-termijn, dient nu, bij afloop van de verlengde looptijd, alleen te worden beoordeeld of [de schuldenaar] toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn verplichting om de boedelachterstand in te lopen. [de schuldenaar] erkent dat hij in plaats van twaalf maandelijkse aflossingen van € 1.000 slechts een bedrag van in totaal € 1.500 heeft afgedragen aan de boedel. Daarnaast stelt het hof vast dat [de schuldenaar] , ondanks zijn aanbod tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank, de door hem ontvangen winstdeling en zijn vakantiegeld niet heeft gebruikt om de boedelachterstand in te lopen. Verder neemt het hof in aanmerking dat [de schuldenaar] het bedrag van € 12.878 aan contante opnames bij de Rabobank ook niet heeft besteed aan het aflossen van zijn boedelachterstand. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de schuldenaar] verklaard dat hij dit bedrag in plaats daarvan, onder meer, heeft besteed aan cafébezoeken en ander vertier als afleiding voor zijn privé problemen. Het voorgaande brengt mee dat [de schuldenaar] toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn verplichting om de boedelachterstand uiterlijk 27 juni 2026 te hebben ingelopen.
[de schuldenaar] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zijn toerekenbare tekortkoming vanwege zijn bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kan blijven. Het voorgaande brengt mee dat [de schuldenaar] op dit moment niet in aanmerking komt voor het verlenen van de schone lei.
Het hof gaat niet mee in het verzoek van [de schuldenaar] om de looptijd van de wsnp op grond van artikel 349a lid 2 Fw nogmaals te verlengen. [de schuldenaar] heeft geen gedragsverandering laten zien waaruit het hof kan opmaken dat [de schuldenaar] zijn boedelachterstand alsnog zal inlopen tijdens een nieuwe verlenging van de looptijd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [de schuldenaar] ook in de periode tussen het vonnis van 29 juni 2026 en de mondelinge behandeling bij het hof op 15 september 2026 geen enkel bedrag heeft afgedragen of gespaard om zijn de boedelachterstand te voldoen. Daarnaast heeft [de schuldenaar] pas zeer recent weer budgetbeheer aangevraagd, terwijl hij wist dat hij tijdens een eerdere periode van budgetbeheer zijn verplichtingen wel nakwam. Dit brengt mee dat [de schuldenaar] niet heeft aangetoond dat hij zich aan de aflossingsverplichtingen uit het plan van aanpak kan houden en het budgetbeheer niet (opnieuw) voortijdig zal beëindigen. Ook de verklaring van [de schuldenaar] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof dat hij de privéproblemen die eerder aan het nakomen van zijn afdrachtverplichting in de weg hebben gestaan nog niet onder controle heeft, geeft het hof niet de overtuiging dat [de schuldenaar] zijn boedelachterstand alsnog zal aflossen tijdens een tweede verlening van de looptijd.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt niet. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 29 juni 2026.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, D. Visser en J.G.B. Pikkemaat, ondertekend door mr. D. Visser en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.