Strafprocesrecht

Overschrijding redelijke termijn. Het verzoek om schadevergoeding vast te stellen wordt niet-ontvankelijk…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 oktober 2023

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2023 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
16 oktober 2023
Datum publicatie
16 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.323.934
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:8658
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Overschrijding redelijke termijn. Het verzoek om schadevergoeding vast te stellen wordt niet-ontvankelijk verklaard. De compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn vindt in dit geval plaats door matiging van het sanctiebedrag. De Wahv biedt geen mogelijkheid om aan een betrokkene een schadevergoeding toe te kennen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.323.934/01

CJIB-nummer

: 238907377

Uitspraak d.d.

: 16 oktober 2023

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 januari 2021 om 17:36 uur op de Laan op Zuid in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet is begaan en herhaalt daartoe de gronden die ook bij de kantonrechter zijn aangevoerd.

3. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter de gronden juist heeft beoordeeld en deze gronden terecht heeft verworpen.

4. De overige gronden hebben betrekking op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De gemachtigde verzoekt om de schending van de redelijke termijn vast te stellen. Daarnaast verzoekt hij om een schadevergoeding toe te kennen en verwijst daarbij naar het arrest van het hof van 1 november 2022 (te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2022:9271). Ook verzoekt hij om het bedrag van de sanctie te matigen.

5. Zoals de kantonrechter in diens beslissing reeds heeft overwogen, is de redelijke termijn van berechting overschreden in eerste aanleg. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 28 juli 2023, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369, zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25%.

6. Het verzoek om schadevergoeding zal het hof niet-ontvankelijk verklaren. Het arrest waar de gemachtigde naar verwijst heeft betrekking op een naheffing parkeerbelasting. Dat is hier niet aan de orde. De compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn van berechting vindt in dit geval plaats door matiging van het sanctiebedrag. De Wahv biedt geen mogelijkheid om aan een betrokkene een vergoeding voor schade toe te kennen.

7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Uit voormeld arrest (vgl. ov. 26) vloeit voort dat de proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden voor vergoeding in aanmerking komen. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 837,- (2 x € 837,- x 0,5).

8. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk;

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de inleidende beschikking in die zin dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op

€ 187,50;

bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 837,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.