Strafprocesrecht

Proceskostenvergoeding. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden komen…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 november 2023

Zaakgegevens

Op 7 november 2023 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
7 november 2023
Datum publicatie
7 november 2023
Zaaknummer
Wahv 200.325.326
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:9356
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenvergoeding. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking. Voor de in de fase bij de kantonrechter gemaakte proceskosten is reeds een vergoeding toegekend door de kantonrechter. Voor het toekennen van de in hoger beroep gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.325.326/01

CJIB-nummer

: 239210099

Uitspraak d.d.

: 7 november 2023

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 13 maart 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 310,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 1.284,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 januari 2021 om 18.02 uur op de Kerkstraat in Leerdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd, omdat het sanctiebedrag voor de onderhavige gedraging met ingang van 1 maart 2022 is verlaagd naar € 310,- (zie artikel I van het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven).

3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat redelijke termijn van berechting is overschreden in eerste aanleg en dat de kantonrechter de sanctie daarom met 25% had moeten matigen.

4. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).

5. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Het hof stelt vast dat voor de in de procedure bij de kantonrechter verrichte proceshandelingen reeds een proceskostenvergoeding is toegekend. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de in hoger beroep verrichte proceshandeling bestaat gelet op voormeld arrest van 28 juli 2023 geen aanleiding.

6. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond is verklaard en het bedrag van de sanctie in de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking is gewijzigd;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in

€ 232,50;

bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.