Strafprocesrecht
Artikel 3.6 Besluit houders van dieren. Niet kan worden vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode sprake…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 april 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:2425 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-2425
Zaakgegevens
Op 22 april 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 april 2026
- Datum publicatie
- 22 april 2026
- Zaaknummer
- 21-000734-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:2425
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 3.6 Besluit houders van dieren.
Niet kan worden vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een aaneengesloten periode van 12 maanden waarin verdachte meer dan 20 honden heeft verkocht, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering. Daardoor kan niet worden bewezen dat verdachte bedrijfsmatig heeft gehandeld.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000734-24
Uitspraakdatum: 22 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2024 met parketnummer
84-190325-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van zitting van het hof van 8 april 2026 en wat er op de zittingen bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd:
-
bewezenverklaring van het tenlastegelegde
-
veroordeling tot een taakstraf van 100 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw,
mr. G.G. Compagner, hebben aangevoerd.
Ontvankelijkheid in hoger beroep
De economische politierechter heeft verdachte bij vonnis van 12 februari 2024 vrijgesproken van de laatste 2 van de 5 tenlastegelegde aandachtsstreepjes (overtredingen van de artikelen 3.14, eerste lid, en 3.17, eerste lid, van het Besluit houders van dieren).
Het hof is van oordeel dat deze vrijspraken deelvrijspraken zijn, nu aan verdachte per aandachtsstreepje een ander artikel van het Besluit houders van dieren en daarmee telkens een ander verwijt is tenlastegelegd.
Verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is daarmee ook gericht tegen de vrijspraken.
Gelet op artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Voor zover het hoger beroep van verdachte is gericht tegen de hiervoor bedoelde deelvrijspraken, zal het hof haar niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Alles wat hierna wordt overwogen en beslist heeft alleen betrekking op dat gedeelte van het vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Het vonnis
De economische politierechter heeft, voor zover in hoger beroep van belang, bij vonnis van 12 februari 2024:
-
het tenlastegelegde - met uitzondering van de twee laatste aandachtsstreepjes - bewezenverklaard;
-
verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
Het hof komt in dit arrest, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tot een andere beslissing over het bewijs dan de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt het vonnis daarom en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep van belang, ten laste gelegd dat:
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met
16 februari 2022 in de gemeente Hoogeveen, althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
al dan niet opzettelijk,
bedrijfsmatig gezelschapsdieren, te weten honden en/of puppy’s,
heeft/hebben verkocht en/of ten verkoop in voorraad heeft/hebben gehouden en/of heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben gehouden ten behoeve van opvang en/of heeft/hebben gefokt ten behoeve van de verkoop en/of aflevering van nakomingen,
terwijl daarbij niet werd voldaan aan één of meerdere bepalingen in Paragraaf 2 van Hoofdstuk 3 van het Besluit houders van dieren,
immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s):
-
in strijd met artikel 3.7, eerste lid en/of 3.8, eerste lid van het Besluit houders van dieren, als degene(n) of als beheerder(s) onder wiens verantwoordelijkheid één of meer activiteiten als bedoeld in artikel 3.6 van voornoemd Besluit, werd(en) verricht met gezelschapsdieren, te weten honden, in een inrichting gelegen aan de Zuiderkruis 96 te Hoogeveen, terwijl die inrichting niet was aangemeld bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, en/of aan die inrichting geen uniek bedrijfsnummer (UBN) was toegekend en/of
-
in strijd met artikel 3.10, eerste lid van het Besluit houders van dieren, geen deugdelijke administratie van die gezelschapsdieren (honden), (met daarin in ieder geval de volgende gegevens: naam, adres en woonplaats van degene van wie de honden afkomstig zijn en/of bewijs van inenting van honden), die in haar en/of hun inrichting verbleven, bijgehouden en/of
-
was/waren zij, verdachte en/of haar mededader(s) in strijd met artikel 3.11, eerste lid van het Besluit houders van dieren, als beheerder(s) werkzaam in de inrichting en niet in het bezit van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep (honden) waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht.
Vrijspraak
Verdachte wordt kort gezegd verweten dat zij bedrijfsmatig honden heeft gefokt, gehouden en verkocht en zich in die hoedanigheid niet heeft gehouden aan voorschriften uit het Besluit houders van dieren (hierna: het Besluit).
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte bedrijfsmatig handelde en dat verdachte in strijd heeft gehandeld met de voorschriften genoemd bij de tenlastegelegde aandachtsstreepjes.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat geen sprake is geweest van bedrijfsmatig handelen en dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Basis van de tenlastegelegde artikelen
Artikel 3.6 van het Besluit regelt het verbod op de bedrijfsmatige handel in en fokkerij van gezelschapsdieren, tenzij wordt voldaan aan de wettelijke eisen. In deze zaak wordt verdachte verweten niet te hebben voldaan aan de wettelijke eisen, gesteld in de artikelen 3.7, 3.8, 3.10 en 3.11 van het Besluit.
Artikel 3.6 luidt als volgt:
1. Het is verboden gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden, af te leveren, te houden ten behoeve van opvang, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan deze paragraaf.
2. Deze paragraaf is niet van toepassing indien degene onder wiens verantwoordelijkheid gezelschapsdieren worden verkocht, ten verkoop in voorraad worden gehouden, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang, of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, aannemelijk maakt dat er bij de uitoefening van die activiteiten geen sprake is van bedrijfsmatig handelen.
Wanneer is sprake van bedrijfsmatig handelen?
In de Nota van toelichting bij het Besluit wordt nader ingegaan op de vraag wanneer sprake kan zijn van bedrijfsmatig handelen. In veel gevallen is duidelijk wanneer sprake is van bedrijfsmatige activiteiten, omdat het bijvoorbeeld een dierenspeciaalzaak of pension betreft. Maar in sommige gevallen is dit minder duidelijk. Met behulp van de in de Nota van toelichting genoemde indicaties kan dan worden bepaald of sprake is van bedrijfsmatig handelen.
Zo wordt, voor zover in deze zaak van belang, als richtsnoer gehanteerd dat iemand bedrijfsmatig handelt als hij in een aaneengesloten periode van 12 maanden in totaal meer dan 20 honden of katten heeft verkocht, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering. Voor zover het om honden en katten gaat, doet het er hierbij niet toe of die activiteiten met of zonder winstoogmerk worden verricht.
Oordeel van het hof
Op grond van de gegevens in het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting kan niet worden vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een aaneengesloten periode van 12 maanden waarin verdachte meer dan 20 honden heeft verkocht, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte bedrijfsmatig heeft gehandeld. Dat wellicht wel aan andere in de Nota opgenomen criteria wordt voldaan, leidt niet tot een ander oordeel. Dat heeft tot gevolg dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. E. de Witt, mr. J.J. Beswerda en mr. L.G. Wijma, in aanwezigheid van de griffier mr. I.N. Koers en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 april 2026.