Strafrecht overig
De vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling afgewezen
ECLI:NL:GHARL:2013:9963 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 19 december 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2013-9963
Zaakgegevens
Op 19 december 2013 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 19 december 2013
- Datum publicatie
- 6 januari 2014
- Zaaknummer
- TBS P13/0320
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2013:9963
Samenvatting
De vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling afgewezen
Uitspraak
Inhoudsopgave
TBS P13/0320
Beslissing d.d. 19 december 2013
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[naam terbeschikkinggestelde],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [kliniek],
verder te noemen de terbeschikkinggestelde.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland van 7 juni 2013, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.
Het hof heeft gelet op de nadere stukken, waaronder:
- het proces-verbaal van het onderzoek in openbare raadkamer van het hof van 16 september 2013;
- de tussenbeslissing van het hof van 30 september 2013;
- het advies van de Reclassering Nederland toezichtunit ’s-Hertogenbosch Zuid van 25 november 2013;
- de door de raadsman bij brief van 4 december 2013 toegezonden beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2013, houdende een voorlopige machtiging tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.
Het hof heeft ter zitting van 5 december 2013 gehoord mr. N.A. Heidanus, advocaat te Groningen, raadsman van de terbeschikkinggestelde, de deskundige [naam], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland, Toezichtunit ’s-Hertogenbosch Zuid, en de advocaat-generaal mr. E.J. Julsing-Nijenhuis. De terbeschikkinggestelde is met kennisgeving niet verschenen.
Overwegingen:
Het advies van de reclassering
Geadviseerd wordt de voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling voort te zetten tot de volgende verlengingszitting. De terbeschikkinggestelde heeft een terugval in psychotisch gedrag gehad en is nog niet geheel gestabiliseerd. Het is voor de continuïteit van een eventuele civielrechtelijke opname beter als een BOPZ-machtiging niet wordt afgegeven naar aanleiding van een psychotisch incident, maar op basis van een stabiel toestandsbeeld van de terbeschikkinggestelde. Het stabiliseringsproces kan het beste worden ondersteund in de huidige klinische omgeving. De terbeschikkinggestelde dient in het kader van opgelegde voorwaarden voorlopig te verblijven in de Woenselse Poort.
Het standpunt van de raadsman van de terbeschikkinggestelde
De raadsman heeft verzocht de vordering tot verlenging af te wijzen. De grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit zijn inmiddels overschreden. Het traject met IFZ is nodeloos complicerend en vertragend geweest. De afgegeven voorlopige machtiging in het kader van de Wet BOPZ biedt een voldoende beveiligend kader voor het verlenen van zorg aan de terbeschikkinggestelde.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geadviseerd de beslissing van de rechtbank te bevestigen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien bij de eerstvolgende verlengingszitting blijkt dat de situatie van de terbeschikkinggestelde stabiel is, kan worden beoordeeld of de behandeling van de terbeschikkinggestelde in een civielrechtelijk kader kan worden voortgezet.
Het oordeel van het hof
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet langer de verlenging van de terbeschikkingstelling vereist en dat derhalve de vordering van het openbaar ministerie dient te worden afgewezen.
Het hof constateert op grond van de stukken en hetgeen bij het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen dat de terbeschikkinggestelde een chronisch psychiatrische patiënt is die blijvend op zorg en begeleiding is aangewezen. Het recidiverisico is naar het oordeel van het hof echter thans tot een zodanig niveau teruggebracht dat dit voldoende kan worden beheerst door plaatsing van de terbeschikkinggestelde in een GGZ-instelling in het kader van de Wet BOPZ, waarvoor de rechtbank Oost-Brabant inmiddels een voorlopige machtiging heeft afgegeven. Het hof heeft hierbij, gelet op het huidige tweede lid van artikel 509t Wetboek van Strafvordering, acht geslagen op het feit dat bij beslissing van dit hof van 7 februari 2011 de verpleging van overheidswege reeds voorwaardelijk is beëindigd.
Het hof gaat ervan uit, mede gelet op het advies van psychiater Van Panhuis (“ eventuele plaatsing elders van de terbeschikkinggestelde binnen het kader van een BOPZ-maatregel, welke maatregel dan zeker wel een aantal keren verlengd zal moeten worden”), dat de thans verleende BOPZ-machtiging geen incidenteel karakter zal dragen.
Beslissing
Het hof:
vernietigt de beslissing van de rechtbank Gelderland van 7 juni 2013 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde];
wijst af de vordering van de officier van justitie.
Aldus gedaan door
mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,
mr J.W. Rijkers en mr. J.P. Balkema als raadsheren,
en drs. E. Harmsen en dr. W.J. Canton als raden,
in tegenwoordigheid van D.P. Post als griffier,
en op 19 december 2013 in het openbaar uitgesproken.
Mr J.P. Balkema en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.