Strafrecht overig
Afwijzing wrakingsverzoek.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 december 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:9188 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 december 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2014-9188
Zaakgegevens
Op 1 december 2014 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 1 december 2014
- Datum publicatie
- 28 november 2014
- Zaaknummer
- 21-001170-14
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2014:9188
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing wrakingsverzoek.
Uitspraak
Wrakingskamer
Parketnummer: 21-001170-14
Wrakingsnummer: 200.157.688
Uitspraakdatum: 1 december 2014
Beslissing gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door
[Verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans verblijvende in [verblijfplaats].
De procedure
Ter terechtzitting van 30 september 2014 is namens verzoeker om wraking verzocht van
mrs. J.P. Bordes, J.D. den Hartog en A.J. Smit. Deze raadsheren hebben aangegeven dat zij niet in de wraking berusten en dat zij er geen behoefte aan hebben om te worden gehoord bij de behandeling van het wrakingsverzoek.
De wrakingskamer heeft ter zitting van 27 oktober 2014 gehoord de raadsman van verzoeker en ter zitting van 17 november 2014 gehoord verzoeker en zijn raadsman.
Ontvankelijkheid
De wrakingskamer acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.
De gronden van het verzoek tot wraking
Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is - kort gezegd - het volgende aangevoerd.
De verdediging heeft op de pro formazitting van 5 augustus 2014 verzocht onderzoekswensen aan de orde te stellen en/of nader te motiveren. Op die terechtzitting is de verdediging daartoe niet in de gelegenheid gesteld. Ter terechtzitting van 30 september 2014 heeft de verdediging - ter onderbouwing van verdachtes alibi - verzocht een aantal getuigen te horen, een aantal stukken aan het dossier toe te voegen en nader onderzoek te laten verrichten. Al die verzoeken zijn afgewezen. Verzoeker heeft geconcludeerd dat dit onbegrijpelijke beslissingen zijn waarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid zijn ingegeven.
De beoordeling van het verzoek tot wraking
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer stelt voorts voorop, dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen - de verzoeker onwelgevallige - (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter, gaande de procedure, (tussen)beslissingen te nemen over (onder meer) het al dan niet horen van getuigen en deskundigen. Grond voor wraking bestaat alleen als uit de beslissing, waaronder begrepen de motivering, zwaarwegende aanwijzingen als hiervoor omschreven kunnen worden afgeleid.
De wrakingskamer is van oordeel dat uit de (motivering van) de (processuele) beslissingen van het hof op grond waarvan het wrakingsverzoek is gedaan niet zulke zwaarwegende aanwijzingen kunnen worden afgeleid. Uit die beslissingen op zichzelf, noch in hun onderlinge samenhang beschouwd, valt geen vooringenomenheid af te leiden omtrent schuld of onschuld van verzoeker of enig ander op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting te beslissen punt. Evenmin kan daaruit een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor worden afgeleid.
Met betrekking tot wat is aangevoerd over de pro formazitting overweegt de wrakingskamer nog dat het gebruikelijk is dat op zo een terechtzitting alleen verzoeken betreffende de voorlopige hechtenis kunnen worden gedaan. Bij brief van 11 juni 2014 is de raadsman dat ook medegedeeld.
Het wrakingsverzoek zal op grond van het bovenstaande worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof (wrakingskamer):
Wijst het verzoek tot wraking van mrs. J.P. Bordes, J.D. den Hartog en A.J. Smit af.
Aldus gewezen door
mr. H. Abbink, voorzitter,
mrs. C.M. Ettema en R. Prakke-Nieuwenhuizen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok, griffier,
en op 1 december 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.