Strafrecht overig
Schorsing voorlopige hechtenis, ontbrekende motivering. Artikel 80 Sv. Raadkamer van de rechtbank in geheel…
ECLI:NL:GHARL:2016:6794 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 17 augustus 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2016-6794
Zaakgegevens
Op 17 augustus 2016 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 17 augustus 2016
- Datum publicatie
- 24 augustus 2016
- Zaaknummer
- 16-706448-15
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2016:6794
Samenvatting
Schorsing voorlopige hechtenis, ontbrekende motivering. Artikel 80 Sv. Raadkamer van de rechtbank in geheel andere samenstelling dan de rechtbank ter terechtzitting schorst voorlopige hechtenis zonder motivering waar de rechtbank ter terechtzitting die schorsing heeft afgewezen. Onbegrijpelijke beslissing.
Uitspraak
Inhoudsopgave
beschikking
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Arnhem
pkn: 16-706448-15
avnr.: 001375-15
Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,
verblijvende op het adres [adres] .
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 28 juli 2016, houdende de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door mr J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, in raadkamer van heden.
Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 29 juli 2016.
OVERWEGINGEN:
De raadkamer van de rechtbank heeft de voorlopige hechtenis bevolen ter zake van is - kort samengevat - 1) (gewoonte) witwassen ter zake van grote hoeveelheden geld, 2) overtreding van artikel 2 onder B van de Opiumwet, 3) overtreding van artikel 2 onder A van de Opiumwet 4) overtreding van artikel 2 onder C van de Opiumwet en 5) deelnemen aan criminele organisatie. De rechtbank heeft als gronden voor dit bevel aangenomen - kort samengevat - de vrees voor herhaling, met name dat verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en waardoor de gezondheid van personen in gevaar kan worden gebracht, als mede de onderzoeksgrond. Laatstgenoemde grond heeft de raadkamer bij de verlenging van de gevangenhouding laten vallen.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 14 april 2016 aan de gronden voor de voorlopige hechtenis toegevoegd, zo verstaat het hof, dat er bij een van de feiten (namelijk feit 3) sprake is van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld en de rechtsorde door dat feit ernstig is geschokt.
De rechtbank, in dezelfde samenstelling als op 14 april 2016, heeft ter terechtzitting van
23 juni 2016 het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst tot de terechtzitting van
8 september 2016 en een verzoek van verdachte tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis met een korte motivering afgewezen.
Verdachte heeft vervolgens op 18 juli 2016 een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gedaan dat op 28 juli 2016 door de raadkamer van de rechtbank is behandeld. Deze raadkamer was geheel anders samengesteld dan de rechtbank op voornoemde terechtzittingen. De raadkamer heeft de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst met ingang van
29 juli 2016, maar deze beslissing niet gemotiveerd. Tegen deze beslissing heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld
Gezien de ernst van de feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, de gronden die aan de het bevel ten grondslag liggen, waaronder de grond dat door (een van) de feiten de rechtsorde ernstig is geschokt, en het feit dat de rechtbank niet lang daarvoor ter terechtzitting het verzoek tot schorsing had afgewezen, had de raadkamer van de rechtbank behoren te motiveren waarom zij afweek van het kort daarvoor gegeven beslissing van de zittingsrechter. Zonder die motivering is die beslissing onbegrijpelijk. Het hof verwijst in dit verband naar de Aandachtspunten bij schorsing voorlopige hechtenis, zoals deze zijn vastgesteld door het LOVS (zie rechtspraak.nl)
Het hof ziet in hetgeen zijdens verdachte is aangevoerd op dit moment geen grond voor schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte. Nu het hof ook ambtshalve geen grond ziet voor schorsing van de voorlopige hechtenis, zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis alsnog afwijzen.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikel 80 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep, wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis en bepaalt dat de voorlopige hechtenis van verdachte onverwijld verder ten uitvoer wordt gelegd.
Aldus gegeven op 17 augustus 2016 door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter, F.A.M. Bakker en A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van J. Jansen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.