Strafrecht overig
Ontneming in Mega-onderzoek Mount Nepal, waarbij door medewerkers van SNSPF onderling betalingsafspraken…
ECLI:NL:GHARL:2018:5575 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 juni 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2018-5575
Zaakgegevens
Op 6 juni 2018 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 6 juni 2018
- Datum publicatie
- 15 juni 2018
- Zaaknummer
- 21-003030-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2018:5575
Samenvatting
Ontneming in Mega-onderzoek Mount Nepal, waarbij door medewerkers van SNSPF onderling betalingsafspraken werden gemaakt en een deel van de uurvergoeding van SNSPF werd doorbetaald aan andere SNSPF-medewerkers. Ook wanneer de veroordeelden niet van valse facturen gebruik hadden gemaakt en wel de juiste omschrijving hadden vermeld, hadden zij de geldbedragen ontvangen. De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom afgewezen
Procesgang
Rechtbank Midden-Nederland · 20 mei 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:4198Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 juni 2018deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2018:5575
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003030-16
Uitspraak d.d.: 6 juni 2018
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 mei 2016 met parketnummer 16-994048-14 in de strafzaak tegen
[veroordeelde]
gevestigd te [vestigingsplaats] .
Het hoger beroep
De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 22 november 2017, 4 april 2018, 18 april 2018 (inhoudelijke behandelingen) en 23 mei 2018 (sluiting onderzoek) en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. De vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de bestuurder van veroordeelde en haar raadsman, mr. F.H.H. Sijbers, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd. Het hof doet daarom opnieuw recht.
Overweging hof
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
[betrokkene 1] , bestuurder van veroordeelde, heeft met [betrokkene 2] de afspraak gemaakt dat hij van zijn werkzaamheden bij SNS Property Finance BV (hierna SNSPF) een aanbreng-/bemiddelingsfee van € 50,- per door [betrokkene 1] gewerkt uur bij SNSPF aan [betrokkene 2] zou betalen. [betrokkene 1] heeft verklaard dat [betrokkene 2] hem op enig moment heeft gevraagd of hij nog ervaren mensen kende en was bereid [betrokkene 1] € 25,- per uur als korting op de fee te betalen voor de personen die [betrokkene 1] zou aanbrengen. [betrokkene 1] heeft daarop [betrokkene 3] bij [betrokkene 2] geïntroduceerd. [betrokkene 1] heeft vervolgens op basis van de door [betrokkene 3] bij SNSPF gewerkte uren facturen opgesteld en aan [betrokkene 2] gestuurd. [betrokkene 1] heeft deze facturen namens zijn bedrijf [veroordeelde] opgesteld en verstuurd aan de vennootschappen van [betrokkene 2] . Het openbaar ministerie heeft deze wijze van handelen tenlastegelegd als onder meer oplichting dan wel verduistering en niet ambtelijke omkoping. Het hof heeft [betrokkene 1] van deze verdenkingen vrijgesproken.
Veroordeelde is door het hof bij arrest van 6 juni 2018 veroordeeld voor het voorhanden van een vals geschrift, valsheid in geschrifte en deelnemen aan een criminele organisatie veroordeeld tot een geldboete.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of veroordeelde enkel door de valsheid in geschrift de geldbedragen wederrechtelijk heeft verkregen. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
[betrokkene 1] heeft een korting op zijn aan [betrokkene 4] te betalen kickback bedongen en gekregen. Voor het ontvangen van deze kickback betalingen maakte [betrokkene 1] facturen op op naam van [veroordeelde] . De valsheid in geschrift komt er op neer - kort weergegeven- dat [veroordeelde] als omschrijving op de aan [betrokkene 2] verzonden facturen in strijd met de waarheid vermeldde "adviesdienst". Dit maakt echter naar het oordeel van het hof nog niet dat daardoor het door veroordeelde ontvangen geldbedrag wederrechtelijk is verkregen. Immers indien op de factuur de juiste omschrijving als aanbreng-/bemiddelingsfee of commissie was vermeld, had veroordeelde de geldbedragen ook ontvangen.
Gelet hierop zal de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door
mr. G. Dam, voorzitter,
mr. R. de Groot en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,
in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen en mr. G.W. Jansink, griffiers,
en op 6 juni 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.