Strafrecht overig
Dwangsom. Uit het zaakoverzicht van het CJIB volgt dat de inleidende beschikking tweemaal is verzonden. De…
ECLI:NL:GHARL:2019:689 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 28 januari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2019-689
Zaakgegevens
Op 28 januari 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 28 januari 2019
- Datum publicatie
- 28 januari 2019
- Zaaknummer
- WAHV 200.209.397
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:689
Samenvatting
Dwangsom. Uit het zaakoverzicht van het CJIB volgt dat de inleidende beschikking tweemaal is verzonden. De eerst verzonden inleidende beschikking is op juiste wijze bekendgemaakt.
Er moet dan ook worden uitgegaan van de bij die beschikking behorende beroeps- en beslistermijnen. Het hof laat de later verzonden inleidende beschikking buiten beschouwing.
Uitspraak
Inhoudsopgave
WAHV 200.209.397
28 januari 2019
CJIB 192889332
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 15 december 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
kantoorhoudende te [C] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 248,-.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter ontbreekt. Dat is in strijd met artikel 13 juncto 12 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), zodat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven, aldus de gemachtigde. Dat de uitspraak van de kantonrechter als proces-verbaal zou moeten worden beschouwd, betwist de gemachtigde. Daarin is namelijk niet ieder besproken argument opgenomen. Bovendien verhoudt het systeem van de wet zich niet met het combineren van een uitspraak en een proces-verbaal.
2. Het verweer van de gemachtigde dat een uitspraak en een proces-verbaal niet in één document mogen zijn vervat, miskent dat artikel 13, derde lid, eerste volzin, van de Wahv voorschrijft dat de beslissing van de kantonrechter in het proces-verbaal van de zitting wordt aangetekend. Dat is hier het geval. Het proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van de gevoerde argumenten. Het detailniveau van deze weergave is niet bij wet geregeld. Dat de weergave in dit geval niet zou volstaan, is niet aannemelijk gemaakt. Het verweer faalt.
3. De gemachtigde vindt de motivering van de beslissing van de kantonrechter ontoereikend. De kantonrechter heeft net als de officier van justitie geoordeeld dat er geen dwangsom is verschuldigd, maar heeft die beslissing op andere gronden gebaseerd dan de officier van justitie. Daarmee is de kantonrechter buiten de omvang van het geschil getreden.
4. De officier van justitie heeft op 28 juni 2016 beslist dat geen dwangsom is verbeurd, omdat tijdig op het administratief beroep is beslist. Verder heeft de officier van justitie de gemachtigde bij brief van 9 mei 2016 bericht dat de ingebrekestelling binnen de beslistermijn is ontvangen. De gemachtigde heeft een en ander in beroep bij de kantonrechter betwist, waarmee de dwangsombeslissing onderdeel van geschil is geworden. De kantonrechter is vervolgens tot hetzelfde oordeel gekomen als de officier van justitie. De beslissing is met redenen omkleed. Het verweer faalt.
5. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep opnieuw op het standpunt dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd. De vertraging bij het beslissen is, anders dan de kantonrechter overweegt, niet op grond van artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de betrokkene te wijten. De officier van justitie heeft in eerste instantie geweigerd stukken te verstrekken. Verder heeft de gemachtigde geen verzuimbrieven van de officier van justitie ontvangen.
6. Voor situaties als deze, waarin de aanvraag, waarop volgens de gemachtigde niet tijdig is beschikt, een administratief beroepschrift is, is de termijn waarop moet worden beslist neergelegd in artikel 7:24 van de Awb.
7. In artikel 7:24, eerste lid, van de Awb staat:
Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.
8. In artikel 7:24, derde lid, van de Awb staat:
De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld
of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
9. In artikel 4:17 van de Awb staat, voor zover hier van belang:
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. (…)
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
10. Het hof constateert dat de inleidende beschikking tweemaal staat vermeld in het zaakoverzicht; eenmaal met verzenddatum 22 oktober 2015 en eenmaal met verzenddatum 25 januari 2016. Gelet op de bij de CJIB gehanteerde werkwijze bij de verzending van inleidende beschikkingen, moet in beginsel van een correcte verzending worden uitgegaan. Dat geldt hier te meer, omdat de gemachtigde een kopie van de inleidende beschikking van 22 oktober 2015 heeft meegezonden. Bij deze stand van zaken staat vast dat die inleidende beschikking op de juiste wijze is bekendgemaakt. Er moet dan ook worden uitgegaan van de bij die beschikking behorende beroeps- en beslistermijnen. Het hof laat de inleidende beschikking van 25 januari 2016 verder buiten beschouwing.
11. De inleidende beschikking is op 22 oktober 2015 verzonden, zodat de beslistermijn in beginsel eindigde op 24 maart 2016. Bij brief van 22 maart 2016 heeft de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld een verzuim in het beroepschrift van 2 december 2015, namelijk het ontbreken van gronden, binnen vier weken te herstellen. Dat heeft de gemachtigde op de laatste dag van deze termijn, bij brief van 21 april 2016, door de officier van justitie ontvangen op 22 april 2016, gedaan. Daarmee is de stelling van de gemachtigde dat de verzuimbrief niet zou zijn ontvangen onaannemelijk.
12. Het verweer dat van opschorting van de beslistermijn in dit geval geen sprake kan zijn, omdat het verzuim de betrokkene niet kan worden toegerekend, mist doel. Gelet op artikel 7:24, derde lid, van de Awb wordt de beslistermijn in een situatie als deze waarin het administratief beroepschrift geen gronden bevat en de indiener van het administratief beroepschrift in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim te herstellen, van rechtswege opgeschort. De beslistermijn is hier opgeschort tot 22 april 2016.
Met de gemachtigde stelt het hof vast dat de kantonrechter in zijn overwegingen ten onrechte artikel 4:15 Awb als uitgangspunt heeft genomen. Gelet daarop lijdt de beslissing van de kantonrechter op dit punt aan een motiveringsgebrek.
13. Eerst twee weken na het verstrijken van de beslistermijn kan het bestuursorgaan in gebreke worden gesteld. De ingebrekestelling van 28 april 2016, ontvangen op 29 april 2016, is dan ook prematuur en er is niet gesteld of gebleken dat dit verschoonbaar is. Nu de officier van justitie niet binnen de wettelijke termijn in gebreke is gesteld, kan hij geen dwangsom hebben verbeurd.
14. Verder richten de bezwaren van de gemachtigde zich tegen de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard.
15. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 101,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 12 km/u”, welke gedraging op 9 oktober 2015 om 19:18 uur zou zijn verricht op de Sir W. Churchilllaan (halte Van Mooklaan) te Rijswijk met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
16. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de verbalisant niet bevoegd was de sanctie op te leggen, nu niet blijkt dat [D] , die de verbalisant heeft beëdigd, daar wel toe bevoegd was.
17. Het hof verwijst met betrekking tot dit verweer naar zijn arrest van 21 november 2018 (te vinden op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:10129) waarin een zelfde verweer van de gemachtigde is verworpen. Daarmee is dit verweer ook in deze zaak afdoende weerlegd en staat vast dat de beëdiging bevoegd heeft plaatsgevonden.
18. Volgens de gemachtigde is verder niet duidelijk op welke wijze meting heeft plaatsgevonden. In een schouwrapport dat de gemachtigde heeft overlegd wordt gesproken van een lusdetectie en op de foto van de gedraging staat een lusafstand vermeld. In het zaakoverzicht staat echter dat de gedraging met radarapparatuur is vastgesteld. Nu niet kan worden vastgesteld welke apparatuur is gebruikt, kan de inleidende beschikking volgens de gemachtigde geen stand houden.
19. Het zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“Gemeten (afgelezen) snelheid : 65 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 62 km per uur.
Toegestane snelheid : 50 km per uur.
Overschrijding met : 12 km per uur.
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van geijkte radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal.”
20. Het hof ziet in de verweren van de gemachtigde geen aanleiding om te betwijfelen dat de meting, zoals in het zaakoverzicht is vermeld, door radarapparatuur in een vaste flitspaal is uitgevoerd. Dat op de betreffende kruising, mogelijk ten behoeve van de verkeerslichtinstallatie, ook meetlussen zijn aangebracht, betekent niet dat de gegevens in het zaakoverzicht ter zijde moeten worden gesteld.
21. Nu de meting door radarapparatuur is uitgevoerd, laat het hof de bezwaren van de gemachtigde met betrekking tot de betrouwbaarheid van lusdetectoren onbesproken.
22. De gemachtigde stelt dat radarapparatuur onvoldoende in staat is om voertuigen afzonderlijk te meten en te fotograferen. Daarom staat niet vast dat met het voertuig van de betrokkene de snelheidsovertreding is gemaakt. Ook is de rijstrook niet juist vermeld. Bij een gemotiveerde betwisting van de betrouwbaarheid van de meting, is nader bewijs nodig.
23. Op de foto van de gedraging staat bij rijstrook: ‘1 RD’. Het is het hof ambtshalve bekend dat met de afkorting ‘RD’ ‘rechtdoor’ wordt bedoeld. Nu ter plaatse sprake is van twee rijstroken voor rechtdoor en het voertuig van de betrokkene op de meest linkse van deze rijdt, valt niet in te zien waarom de rijstrook verkeerd zou zijn aangeduid.
24. Het hof zal de algemene bezwaren van de gemachtigde tegen de betrouwbaarheid van meting door middel van radar passeren nu een deugdelijke onderbouwing van die bezwaren ontbreekt. Het verweer dat een (gemotiveerde) betwisting van de betrouwbaarheid van de meting aanvullend bewijs noodzakelijk maakt, vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Of aan de juistheid en betrouwbaarheid van de uitgevoerde meting moet worden getwijfeld, is er van afhankelijk of door of namens de betrokkene voor de zaak specifieke feiten en omstandigheden worden aangevoerd en aannemelijk gemaakt die daar aanleiding toe geven. Daarvan is in dit geval geen sprake.
25. Op basis van het dossier staat de gedraging naar het oordeel van het hof vast.
26. Geen van de verweren leidt tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. Deze komt voor bevestiging in aanmerking. Wel zal het hof de gronden van de beslissing verbeteren vanwege het hiervoor onder 12. geconstateerde motiveringsgebrek.
27. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.