Strafrecht overig
Vrijspraak van de verdenking van mishandeling en bedreiging van zijn zoon op 1 november 2018. De verklaringen…
ECLI:NL:GHARL:2020:6911 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 3 september 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2020-6911
Zaakgegevens
Op 3 september 2020 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 september 2020
- Datum publicatie
- 3 september 2020
- Zaaknummer
- 21-001542-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2020:6911
Samenvatting
Vrijspraak van de verdenking van mishandeling en bedreiging van zijn zoon op 1 november 2018. De verklaringen van de verschillende getuigen lopen zodanig uiteen, dat op grond daarvan niet een eenduidig beeld kan worden verkregen van hetgeen zich op 1 november 2018 in de woning van verdachte heeft afgespeeld.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001542-19
Uitspraak d.d.: 3 september 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 21 maart 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-229990-18 en 18-042914-19, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Achterhoek - Gev. Ooyerhoekseweg te Zutphen.
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld, doch uitsluitend voor zover dit het parketnummer 18-042914-19 betreft.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens de feiten 1 en 2 tot gevangenisstraf voor de duur van drie weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. A.L. Rinsma, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft verdachte wegens de feiten 1 en 2 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, waarvan twintig uren subsidiair tien dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover daaraan onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom in zoverre opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep van belang, tenlastegelegd dat:
In de zaak met parketnummer 18-042914-19:
1.
hij op of omstreeks 1 november 2018 te [plaats] , althans in Nederland zijn kind, [slachtoffer] , heeft mishandeld door een trap en/of schop te geven tegen het hoofd en/of de nek/hals, althans het lichaam;
2.
hij op of omstreeks 1 november 2018 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Raak me nog één keer aan en ik sla je hartstikke dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De verklaringen van de verschillende getuigen lopen zodanig uiteen, dat op grond daarvan niet een eenduidig beeld kan worden verkregen van hetgeen zich op 1 november 2018 in de woning van verdachte heeft afgespeeld.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover het daaraan is onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-042914-19 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. M.C. Fuhler, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. G.A. Versteeg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,
en op 3 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.