Strafrecht overig

Hoger beroep niet-ontvankelijk op grond van art. 416 lid 3 Sv.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 november 2021

Zaakgegevens

Op 11 november 2021 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
11 november 2021
Datum publicatie
22 november 2021
Zaaknummer
21-001000-20
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:10761
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hoger beroep niet-ontvankelijk op grond van art. 416 lid 3 Sv.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001000-20

Uitspraak d.d.: 11 november 2021

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 12 februari 2020 met parketnummer 16-659852-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 05-236348-14, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 oktober 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, er toe strekkende dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep

wegens gebrek aan belang. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. J. Michels, voorafgaand aan de zitting per e-mail naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De officier van justitie heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Bij akte van 20 januari 2021 is het hoger beroep partieel ingetrokken, te weten ten aanzien van feit 2. Bij akte van 13 oktober 2021 heeft het openbaar ministerie kenbaar gemaakt het gehele hoger beroep te willen intrekken.

Op 27 januari 2021 is het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aangevangen middels uitroeping van de zaak ter terechtzitting, waarna het onderzoek ter terechtzitting is aangehouden voor onbepaalde tijd. Het hof overweegt dat nu het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep reeds op 27 januari 2021 is aangevangen, intrekking van het hoger beroep op 13 oktober 2021 - gelet op het bepaalde in artikel 453, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering - niet mogelijk is.

Op grond van hetgeen door de advocaat-generaal en de verdediging naar voren is gebracht zal het hof, nu het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken en ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de behandeling van deze zaak, de officier van justitie gelet op het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Aldus gewezen door

mr. J. Hielkema, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. W. Foppen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,

en op 11 november 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.