Strafrecht overig

Het hof verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De appelschriftuur is te…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 december 2021

Zaakgegevens

Op 20 december 2021 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20 december 2021
Datum publicatie
2 februari 2022
Zaaknummer
21-002248-20
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:12028
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het hof verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De appelschriftuur is te laat ingediend en dit is niet verontschuldigbaar.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002248-20

Uitspraak d.d.: 20 december 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 30 juni 2020 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-830204-19 en 18-193239-19, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-017414-19, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteland] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde tijd tot 1 februari 2022 om 13:40 uur. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. B.V. Rafaela, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De officier van justitie heeft een schriftuur houdende grieven ingediend, gedateerd 28 augustus 2020, die ter griffie van de rechtbank is ontvangen op 21 augustus 2020. Aangezien het hoger beroep was ingesteld op 10 juli 2020 is de schriftuur niet binnen de in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorgeschreven termijn van veertien dagen na de instelling van het hoger beroep ingediend.

De advocaat-generaal heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Hij heeft daartoe betoogd dat, zoals in de schriftuur is vermeld, het verzuim om tijdig een schriftuur in te dienen het gevolg is van een vergissing bij het openbaar ministerie. Het alsnog opmaken van een schriftuur heeft vervolgens enige tijd op zich laten wachten wegens langdurig verlof van de officier van justitie in kwestie.

Naar het oordeel van het hof is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Van de officier van justitie mag worden verwacht dat bij wet voorgeschreven termijnen worden nageleefd. In geval van langdurig verlof of andere complicaties van organisatorische aard, dient de officier van justitie zorg te dragen voor waarneming van lopende zaken.


Voor het niettemin inhoudelijk behandelen van de onderhavige strafzaak ziet het hof geen zodanig zwaarwegende maatschappelijke belangen dat deze zouden moeten prevaleren boven het sanctioneren van een niet tijdig ingediende appelschriftuur. Het hof zal de officier van justitie daarom met toepassing van artikel 416, derde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Aldus gewezen door

mr. F. van der Maden, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. A. Meester, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,

en op 20 december 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.