Strafrecht overig
Artikel 450 Sr. Een voetganger is ten gevolge van een aanrijding met een auto komen te overlijden. Het hof…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 mei 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:4818 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 mei 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2021-4818
Zaakgegevens
Op 21 mei 2021 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 21 mei 2021
- Datum publicatie
- 19 mei 2021
- Zaaknummer
- 21-001226-20
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2021:4818
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 450 Sr. Een voetganger is ten gevolge van een aanrijding met een auto komen te overlijden. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of een passagier van de auto getuige is geweest van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin het slachtoffer verkeerde en beantwoordt die vraag negatief. Anders dan de kantonrechter spreekt het hof verdachte vrij.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001226-20
Uitspraak d.d.: 21 mei 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, van 6 maart 2020 met parketnummer 16-144142-19 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.W.H. Peters, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 10 februari 2019, te Renswoude, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als getuige van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde, heeft nagelaten hulp te verlenen of te verschaffen aan voornoemde [slachtoffer] , door (als medepassagier) die [slachtoffer] , die ten gevolge van een verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel had opgelopen adequate lichamelijke verzorging en/of inschakeling van adequate medische hulp en/of verzorging te onthouden, terwijl bij het inschakelen van hulpverlening voor hem, verdachte, redelijkerwijs geen gevaar voor zichzelf of voor anderen te duchten was, terwijl de dood van voornoemde hulpbehoevende [slachtoffer] op 22 februari 2019 is gevolgd.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken.
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Vast staat dat mevrouw [slachtoffer] op 10 februari 2019 op de [adres] te Renswoude als voetganger op een zebrapad is aangereden door een personenauto waarin een bestuurder en twee passagiers zaten. Verdachte was één van de passagiers. Bij dit ongeval raakte [slachtoffer] zwaar gewond, waarna zij op 22 februari 2019 aan haar verwondingen is overleden.
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte getuige is geweest van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde. Naar het oordeel van het hof blijken de volgende in dit verband relevante feiten en omstandigheden uit het dossier:
-
verdachte was passagier in de auto die [slachtoffer] heeft aangereden,
-
verdachte hoorde een klap,
-
verdachte zag dat er een gat in de voorruit zat,
-
verdachte hoorde dat de bestuurder “ongeluk” zei en
-
de bestuurder is vervolgens, kort na de aanrijding, doorgereden.
Andere (relevante) feiten en omstandigheden dan de zojuist genoemde zijn niet komen vast te staan.
Naar het oordeel van het hof kan uit deze feiten en omstandigheden weliswaar worden afgeleid dat verdachte wist dat er een aanrijding had plaatsgevonden, maar niet dat hij getuige is geweest van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde, nu niet blijkt dat verdachte zich bewust was van dat levensgevaar. Onvoldoende voor bewezenverklaring is dat verdachte had behoren te beseffen dat er een niet als denkbeeldig te verwaarlozen kans bestond dat toen een persoon was aangereden en daarbij (ernstig) gewond was geraakt. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,
mr. A. van Waarden en mr. M.L. Plas, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.W. Levelt-Iseger, griffier,
en op 21 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.