Strafrecht overig
Vrijspraak van het seksueel binnendringen bij een persoon die in staat van bewusteloosheid, verminderd…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 november 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:9687 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 10 november 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2022-9687
Zaakgegevens
Op 10 november 2022 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 10 november 2022
- Datum publicatie
- 11 november 2022
- Zaaknummer
- 21-000097-20
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:9687
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak van het seksueel binnendringen bij een persoon die in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde.
Procesgang
Rechtbank Midden-Nederland · 24 december 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:6129Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 10 november 2022deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2022:9687
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000097-20
Uitspraak d.d.: 10 november 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 december 2019 met parketnummer 16-659834-18 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 oktober 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. O. Bolluyt, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 24 december 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, ter zake van het tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.074,26 en het overige gevorderde afgewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 15 december 2017 te [plaats] , met [benadeelde] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat deze niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] en/of het heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] .
Vrijspraak
Het hof is van oordeel dat, gezien de vele tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van verdachte, aangeefster en de getuigen, waarbij bij de weging van de bewijsmiddelen rekening moet worden gehouden met de (forse) alcoholconsumptie van zowel verdachte als aangeefster op de betreffende avond, op basis van het thans onderliggende dossier met onvoldoende mate van zekerheid vast te stellen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen zoals tenlastegelegd. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde feit.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.759,26. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.074,26. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en het bedrag van haar oorspronkelijke vordering ten aanzien van de immateriële schade verminderd met een bedrag van € 300,- en vermeerderd met de proceskosten in hoger beroep.
Nu de verdachte niet schuldig wordt verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door
mr. E.M.J. Brink, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. M.C. Fuhler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,
en op 10 november 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.