Strafrecht overig
Het hof heeft vastgesteld dat de officier van justitie een beperking heeft aangebracht in de akte instellen…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 november 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:9726 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 november 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2022-9726
Zaakgegevens
Op 1 november 2022 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 1 november 2022
- Datum publicatie
- 15 november 2022
- Zaaknummer
- 21-002283-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:9726
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof heeft vastgesteld dat de officier van justitie een beperking heeft aangebracht in de akte instellen hoger beroep welke beperking in strijd is met het bepaalde in artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof heeft de officier van justitie om die reden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
De verdachte heeft geen bezwaren opgegeven tegen het vonnis en heeft, na aanvang van de behandeling in hoger beroep, duidelijk gemaakt het hoger beroep te willen intrekken. Het hof heeft zelf geen redenen gezien die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken en verklaart om die reden ook verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002283-19
Uitspraak d.d.: 1 november 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 16 april 2019 met parketnummer 05-720291-18 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 3 maart 2022 (waarna het hof op 17 maart 2022 een tussenarrest heeft gewezen) en 1 november 2022.
Het hof heeft kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. J.A. Schadd, en door de advocaat-generaal naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep van het openbaar ministerie
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep moet worden verklaard, omdat het hoger beroep in de appelakte op ongeoorloofde wijze is beperkt.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep. In de appelakte worden weliswaar beperkingen aangebracht, maar deze akte moet worden bezien in samenhang met de appelschriftuur. Met de bewoordingen in de akte is bedoeld duidelijk te maken dat het hoger beroep voor wat betreft feit 1 zou moeten zien op het subsidiair tenlastegelegde. Dat laat onverlet dat het hof zich ook moet uitlaten over het onder feit 1 primair tenlastegelegde, aldus de advocaat-generaal.
Het hof overweegt dat de officier van justitie bij het instellen van het hoger beroep in de appelakte heeft laten opnemen: “Beroep in te stellen tegen het eindvonnis d.d. 16 april 2019, het hoger beroep richt zich tegen de vrijspraak voor feit 1 subsidiair en tegen de vrijspraak feit 2 primair en tegen de strafmaat”.
Naar het oordeel van het hof heeft het openbaar ministerie hiermee een beperking in de omvang van het hoger beroep aangebracht. Een dergelijke beperking is in strijd met het bepaalde in artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering. Dat betekent dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep van verdachte
De raadsman van verdachte heeft voorafgaand aan de terechtzitting van 1 november 2022 een akte tot intrekking van het hoger beroep laten opstellen. Intrekking van het hoger beroep is echter niet meer mogelijk, omdat reeds op 3 maart 2022 een aanvang is gemaakt met de behandeling van het beroep.
Gezien al het vorenstaande ziet het hof evenwel aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft geen bezwaren opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en door het laten opmaken van voormelde akte tot intrekking van het hoger beroep heeft hij duidelijk gemaakt dat hij geen belang meer heeft bij het verder voortzetten van het hoger beroep. Het hof ziet zelf ook geen redenen die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. A. van Maanen, voorzitter,
mr. O.G. Schuur en mr. R.D.J. Visschers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier,
en op 1 november 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.