Strafrecht overig

wrakingsverzoek waarbij als wrakingsgrond de wijze van ondervraging is aangevoerd. Het wrakingsverzoek is…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 september 2025

Zaakgegevens

Op 11 september 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
11 september 2025
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummer
21-000374-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:8784
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

wrakingsverzoek waarbij als wrakingsgrond de wijze van ondervraging is aangevoerd. Het wrakingsverzoek is afgewezen.

Uitspraak

beslissing

[afbeelding niet beschikbaar]

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

WRAKINGSKAMER

locatie Arnhem

Wrakingskamer

Parketnummer: Wrakingsnummer: Uitspraakdatum:

21-000374-23

W.200.358.245/01

11 september 2025

Beslissing gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door

[verzoeker] (hierna: verzoeker), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [adres] .

De procedure

Ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van dit hof op 13 augustus 2025 is door verzoeker de wraking verzocht van de voorzitter, raadsheer mr. C.H. Zuur.

De raadsheer heeft te kennen gegeven niet in de wraking te berusten en geen gebruik te willen maken van de gelegenheid te worden gehoord. De raadsheer heeft bij schrijven van 14 augustus 2025 een reactie gegeven op het wrakingsverzoek.

Het wrakingsverzoek is ter zitting van 28 augustus 2025 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet bij deze behandeling verschenen. De gewraakte raadsheer is, zoals aangekondigd, ook niet verschenen.

Ontvankelijkheid

De wrakingskamer acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.

De gronden van het verzoek tot wraking

De klachten van verzoeker betreffen de manier waarop hij door de raadsheer is bevraagd tijdens de terechtzitting van 13 augustus 2025.

Juridisch kader

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De beoordeling van het verzoek tot wraking

De wrakingskamer stelt voorop dat op grond van artikel 301 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op de terechtzitting de (korte inhoud van de) stukken uit het dossier worden voorgehouden. Het voorhouden van mogelijk belastende onderdelen uit het

Parketnummer 21-000374-23

[afbeelding niet beschikbaar]

strafdossier en het stellen van (eventueel kritische) vragen van de rechter duidt op zichzelf bezien niet op vooringenomenheid, maar geeft de verdachte de kans daarop te reageren.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 augustus 2025 blijkt dat de raadsheer verzoeker heeft ondervraagd. De wrakingskamer is van oordeel dat, zonder dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die door verzoeker niet zijn gesteld, geen vooringenomenheid dan wel (schijn van) partijdigheid is af te leiden uit de wijze waarop de raadsheer verzoeker heeft bevraagd en evenmin dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek daarom afwijzen.

BESLISSING

Het hof (wrakingskamer):

wijst af het verzoek tot wraking van mr. C.H. Zuur.

Aldus gewezen door

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. R.F.C. Spek en mr. J. Sap, raadsheren

in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema, griffier,

en op 1 1 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.