Strafrecht overig
Terugwijzing naar de rechtbank. Naar het oordeel van het hof had de politierechter de dagvaarding niet nietig…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 maart 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:1550 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 11 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-1550
Zaakgegevens
Op 11 maart 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 11 maart 2026
- Datum publicatie
- 13 maart 2026
- Zaaknummer
- 21-005139-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:1550
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Terugwijzing naar de rechtbank. Naar het oordeel van het hof had de politierechter de dagvaarding niet nietig had mogen verklaren. Het hof heeft het vonnis van de politierechter daarom vernietigd.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005139-24
Uitspraakdatum: 11 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 13 november 2024 met parketnummer 84-313479-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 25 februari 2026 en wat op de zitting bij de politierechter is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. Eckhardt, hebben aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de politierechter moet worden bevestigd. In de tenlastelegging is niet verfeitelijkt waaruit de ‘valsheid’ zou hebben bestaan. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, nu verdachte anders een feitelijke behandeling wordt onthouden.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de ‘valsheid’ in de tenlastelegging niet verder feitelijk omschreven hoeft te worden en dat de dagvaarding voldoende feitelijk is en voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De advocaat-generaal stelt dat het wellicht de voorkeur geniet dat de zaak na vernietiging van het vonnis wordt teruggewezen naar de rechtbank teneinde de zaak inhoudelijk te behandelen, omdat de verdachte anders een feitelijke instantie zou mislopen.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt dat bij de beoordeling of een tenlastelegging een voldoende opgave van het feit en de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan behelst in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, het gaat om de beantwoording van de vraag of op grond van de in de tenlastelegging gebezigde bewoordingen -indien deze worden gelezen in samenhang met het procesdossier- voor de verdachte voldoende duidelijk was welk strafrechtelijk verwijt hem wordt gemaakt en welke concrete feitelijke gedragingen hem in verband daarmee worden verweten.
In de tenlastelegging zijn opgenomen, tijd en plaats van het feit en ook de geschriften waarom het gaat zijn feitelijk omschreven, te weten: loonstroken afkomstig van [bedrijfsnaam] en een werkgeversverklaring afkomstig van [bedrijfsnaam] . Verder is in de tenlastelegging opgenomen dat deze geschriften zijn ingediend (gebruikt) bij de ING-bank om als bewijs te dienen van enig feit als waren deze echt en onvervalst.
Indien de dagvaarding wordt gelezen in samenhang met het dossier is daarmee naar het oordeel van het hof voor verdachte voldoende duidelijk geworden wat hem wordt verweten en om wat voor concrete feitelijke gedragingen het daarbij gaat. Het hof concludeert dat de dagvaarding voldoet aan de daaraan te stellen eisen van art. 261 van het Wetboek van Strafvordering. In eerste aanleg hebben de advocaat en verdachte ook laten blijken dat zij begrijpen waarover het gaat en dat het strafrechtelijk verwijt dat verdachte wordt gemaakt duidelijk was.
Naar het oordeel van het hof had de politierechter de dagvaarding niet nietig mogen verklaren. Het vonnis van de politierechter wordt daarom vernietigd.
Nu ten onrechte niet op de hoofdzaak is beslist en zowel de verdediging als de advocaat-generaal hebben verzocht om terugwijzing naar de rechtbank die de zaak in eerste aanleg behandelde, wijst het hof op de voet van artikel 423, tweede lid, Sv de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, met inachtneming van het arrest van dit hof.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep.
Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Overijssel, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door
mr. K.J.C. Geeve, voorzitter,
mr. A.J. Smit en mr. H. Heins, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.A. Dunnink, griffier,
en op 11 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.