Strafrecht overig
Het hof verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 januari 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:389 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 12 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/rekestprocedure/ecli-nl-gharl-2026-389
Zaakgegevens
Op 12 januari 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 12 januari 2026
- Datum publicatie
- 22 januari 2026
- Zaaknummer
- 000127-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:389
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering. Het verzoekschrift is buiten de termijn van drie maanden na het einde van de strafzaak ingediend en de termijnoverschrijding is naar het oordeel van het hof niet verontschuldigbaar.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
AV-nummer: 000127-25
Parketnummer: 21-004010-19
Uitspraak d.d.: 12 januari 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoeker] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman, mr. W.K. Cheng, C. van Eesterenlaan 46 in (1019 JN) Amsterdam,
hierna te noemen: de verzoeker.
Procesgang
In een op 28 januari 2025 door het hof ontvangen verzoekschrift heeft de verzoeker gevraagd om een (forfaitaire) vergoeding voor de kosten van het opstellen en behandelen van het verzoekschrift dat ook een verzoek op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering inhoudt.
Het hof heeft het verzoek op 15 december 2025 in het openbaar in raadkamer behandeld, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens de verzoeker mr. Cheng.
Beoordeling van het verzoek
Bij arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2024 is het cassatieberoep tegen het arrest van het hof van 15 februari 2022 niet-ontvankelijk verklaard en is de zaak waarop het verzoek betrekking heeft beëindigd.
Op grond van artikel 530, vierde lid, in verbinding met artikel 529, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet het verzoek binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak worden ingediend.
Het verzoekschrift is op 28 januari 2025 en dus buiten de termijn van drie maanden na het einde van de strafzaak ingediend.
Overschrijding van de termijn voor het indienen van een verzoek als hier aan de orde betekent in de regel dat het verzoek nietontvankelijk is. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verzoeker niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Als sprake is van een bijzondere, de verzoeker niet toe te rekenen, omstandigheid waardoor de verzoeker het verzoek niet tijdig heeft ingediend, mag van de verzoeker worden verlangd dat hij zo spoedig mogelijk alsnog het verzoek indient of laat indienen nadat die omstandigheid zich niet meer voordoet. Het alsnog (laten) indienen van het verzoek binnen de – in strafprocedures gebruikelijke – termijn van veertien dagen nadat de betreffende omstandigheid zich niet meer voordoet, geldt daarbij in elk geval als zo spoedig mogelijk.
In de stukken en tijdens de zitting is naar voren gekomen dat de verzoeker naar aanleiding van een zitting op 13 december 2024 op de hoogte is gekomen van het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2024 en daarmee met de beëindiging van zijn zaak.
Ervan uitgaande dat de verzoeker door een bijzondere, hem niet toe te rekenen, omstandigheid pas op 13 december 2024 op de hoogte is geraakt van het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2024 en daarmee van de beëindiging van zijn zaak en dat de verzoeker daardoor het verzoek niet tijdig heeft ingediend, heeft de verzoeker naar het oordeel van het hof niet zo spoedig mogelijk alsnog het verzoek ingediend of laten indienen. Het heeft na 13 december 2024 meer dan zes weken geduurd voordat het verzoekschrift is ingediend. Namens de verzoeker is niets aangevoerd waarom het zo lang heeft moeten duren en waarom het verzoek niet eerder alsnog is ingediend. De termijnoverschrijding is naar het oordeel van het hof daarom niet verontschuldigbaar. De verzoeker wordt in het verzoek nietontvankelijk verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.
Aldus gegeven door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. M.L. Plas en mr. M.J. Ouweneel, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. van der Zandt, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 12 januari 2026 ter openbare zitting uitgesproken.