Strafrecht overig
Het hof is van oordeel dat veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan…
ECLI:NL:GHARN:2005:AV0998 · Gerechtshof Arnhem · 31 oktober 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharn-2005-av0998
Zaakgegevens
Op 31 oktober 2005 heeft het Gerechtshof Arnhem in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof ArnhemGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 oktober 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- VI 7-05
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARN:2005:AV0998
Samenvatting
Het hof is van oordeel dat veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan heeft onttrokken, als bedoeld in de zin van artikel 15a, eerste lid aanhef en sub d van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof zal de vordering van de officier van justitie (tot achterwege blijven vervroegde invrijheidstelling) geheel toewijzen, als na te melden. Daarbij heeft het hof de omstandigheid in aanmerking genomen dat veroordeelde tot op heden nog voortvluchtig is.
Uitspraak
VI-nummer: 7-05
Uitspraak: 31 oktober 2005
Gerechtshof te Arnhem
Kamer als bedoeld in artikel 67 van de wet op de rechterlijke organisatie.
Het hof heeft te beslissen op de op 13 juli 2005 ingekomen vordering van de officier van justitie te Middelburg van 7 juli 2005, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:
[VEROORDEELDE]
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2005 gehoord de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling toe te wijzen.
De ter terechtzitting aanwezige raadsman, mr N.A. Koole, advocaat te Middelburg, is niet gemachtigd de verdediging te voeren.
Overwegingen
De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 15 september 2004 van de rechtbank te Middelburg opgelegde gevangenisstraf van twee jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.
Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan heeft onttrokken, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub d van het Wetboek van Strafrecht.
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken.
Veroordeelde is op 8 mei 2005 uit de penitentiaire inrichting Veenhuizen, locatie Esserheem ontvlucht. Veroordeelde heeft samen met een medegedetineerde de tralies van een celraam doorgezaagd. Met behulp van touwen en stukken hout is een touwladder gemaakt, welke gebruikt is om langs de buitenmuur naar beneden te klimmen. Vervolgens zijn zij de bossen ingegaan. Nabij de inrichting bleek een auto op hen te wachten.
Het hof is van oordeel dat veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan heeft onttrokken, als bedoeld in de zin van artikel 15a, eerste lid aanhef en sub d van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof zal de vordering van de officier van justitie geheel toewijzen, als na te melden. Daarbij heeft het hof de omstandigheid in aanmerking genomen dat veroordeelde tot op heden nog voortvluchtig is.
Toegepaste wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING:
Het hof:
Wijst toe de vordering van de officier van justitie te Middelburg en bepaalt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde in zijn geheel achterwege zal worden gelaten.
Aldus gewezen door:
mr P.C. Vegter, voorzitter
mrs J.M.J. Denie en J.W.P. Verheugt, raadsheren
in tegenwoordigheid van mr N.M.H. van Ek, griffier
en op 31 oktober 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.