Belastingrecht

BPM; stellen van prejudiciële vragen; strijdigheid van de heffingsmodaliteiten met het Unierecht; hoorplicht…

Zaakgegevens

Op 15 juli 2021 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
15 juli 2021
Datum publicatie
28 juli 2021
Zaaknummer
BK-21/00063
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2021:1455
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

BPM; stellen van prejudiciële vragen; strijdigheid van de heffingsmodaliteiten met het Unierecht; hoorplicht; bewijslast; schadevergoeding; proceskostenvergoeding en griffierecht.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 22 december 2020

    ECLI:NL:RBDHA:2020:12923
  2. Gerechtshof Den Haag · 15 juli 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2021:1455

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 7 oktober 2022

    ECLI:NL:HR:2022:1386

Uitspraak

Inhoudsopgave

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-21/00063

Uitspraak van 15 juli 2021

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 december 2020, SGR 20/2807.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende heeft voor vijf auto’s op aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) voldaan.

1.2.

Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is € 345 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is € 541 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend.

1.5.

Het hoger beroep is ter zitting behandeld op 3 juni 2021. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende met kenmerk BK-21/00057 tot en met BK-21/00062 en BK-21/00064 tot en met BK-21/00069. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft voor de volgende personenauto’s (de auto’s) op aangiften BPM voldaan:

Auto aangifte voldoening d.e.t.

Mercedes Benz GLE (auto I) 5-3-2019 11-3-2019 1-10-2015

Jeep Compass (auto II) 13-3-2019 20-3-2019 28-9-2017

BMW X5 (auto III) 11-3-2019 20-3-2019 16-3-2016

Volvo XC90 (auto IV) 18-4-2019 29-4-2019 12-10-2015

Mercedes Benz G (auto V) 18-4-2019 29-4-2019 20-2-2019

De verschuldigde BPM voor auto’s I, III, IV en V is berekend op basis van de koerslijst XRAY voor een auto zonder verhuurverleden. De verschuldigde BPM voor auto II is berekend op basis van de koerslijst XRAY voor een auto met verhuurverleden.

2.2.

Belanghebbende heeft op 18 april 2019, 30 april 2019 en 15 mei 2019 tegen de voldoeningen op aangiften bezwaar gemaakt.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“Inbreukprocedure

6. De rechtbank overweegt allereerst dat de inbreukprocedure die volgens eiseres

inmiddels door de Europese Commissie is begonnen, haar geen aanleiding geeft om de

zaken aan te houden.

Schending hoorplicht

7. Tot de stukken van het geding behoort een verslag van een hoorgesprek op

16 oktober 2019 en een uitnodiging voor dat gesprek waaruit blijkt dat ook onderhavige

bezwaren daar aan de orde zijn geweest. In de uitspraak op bezwaar wordt ook naar dat

hoorgesprek en hoorverslag verwezen. De enkele stelling van eiseres dat zij niet is gehoord,

vindt dus geen steun in de feiten en treft daarom geen doel. Voor zover eiseres stelt dat

verweerder door te weigeren vooraf de kentekengegevens te overleggen de functie aan het

hoorgesprek heeft ontnomen, volgt de rechtbank eiseres niet. De vraag of verweerder die

gegevens zou moeten overleggen is immers onderdeel van het geschil en zou dan ook op dat

hoorgesprek verder besproken kunnen worden. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar

opvatting dat door de veelheid van zaken die op een hoorzitting wordt gepland het feitelijk

niet goed mogelijk is om alle zaken te bespreken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking

dat, hoewel het om een veelheid aan verschillende auto’s gaat, in vrijwel alle zaken dezelfde

meningsverschillen spelen.

Bewijslast

8. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 20171 en 17 januari 20202 volgt dat

op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de door hem op aangifte

voldane Bpm, de plicht rust om feiten te stellen en, zo nodig, aannemelijk te maken die

kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. De enkele stelling dat

de nationale wettelijke bepalingen in strijd zijn met het Unierecht, is daarvoor onvoldoende.

Voor het oordeel dat de bewijslastverdeling in de onderhavige regelgeving tussen enerzijds

de belastingplichtige en anderzijds de belastingheffende instantie dusdanig ongelijk is dat

daarmee sprake is van de door eiseres gestelde schending van het Unierecht, vindt de

rechtbank geen aanleiding.

1. ECLI:NL:HR:2017:847

2 ECLI:NL:HR:2020:296

Ex-rentals

9. In zijn arrest van 19 december 20133 heeft het HvJ EU met betrekking tot de vraag

wanneer voertuigen gelijksoortig zijn het volgende overwogen:

“Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop

worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als ‘gelijksoortige producten’, zijnde

producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door

hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding

bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen

aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties,

verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn

waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt

in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de

aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of

het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C-101/00,

Jurispr. blz. 1-7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland,

C-74/06, Jurispr. blz. 1-7585, punten 29 en 37).”

3 ECLI:EU:C:2013:857

10. Tussen partijen is niet in geschil dat de discussie over ex-rental niet speelt bij auto

II, omdat bij de aangifte al rekening is gehouden met het feit dat de auto een ex-rental is.

Ten aanzien van de andere auto’s overweegt de rechtbank dat het zijn van een ex-rental een

concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap is van een auto. Een niet ex-rental auto

bevindt zich ten opzichte van ex-rental auto’s dan ook niet in een concurrentieverhouding

als bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest van het HvJ. De rechtbank volgt eiseres

daarom niet in haar stelling dat ook bij de waardebepaling van een niet ex-rental moet

worden uitgegaan van de waarde van een in Nederland aanwezige ex-rental. Eiseres heeft

niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto’s I, III, IV en V ex-rentals zijn. Er

is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van referentievoertuigen met een

verhuurverleden (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 20204). De verwijzing

van eiseres naar een e-mail van de directeur van XRAY, leidt niet tot een ander oordeel nu

de door de directeur vermelde gemiddelde afwaardering van 7,5% van de XRAY waarde

ziet op auto’s met een aantoonbaar verhuurverleden.

4 ECLI:NL:HR:2020:331

Verschil in heffingsmodaliteiten

11. Zoals onder 8 is overwogen draagt eiseres de bewijslast dat zij te veel Bpm op

aangiften heeft voldaan. Met de enkele stelling dat er een verschil is tussen het moment van

voldoening van de Bpm en de daadwerkelijke registratie van het voertuig, is zij daarin niet

geslaagd. Eiseres heeft niets aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er

een zodanig lange periode is verstreken tussen voldoening en tenaamstelling dat zij te veel

Bpm heeft voldaan. De stelling van eiseres dat verweerder daartoe de kentekengegevens

moet verstrekken, volgt de rechtbank niet. De enkele omstandigheid dat verweerder bij de

controle van eventuele door eiseres gestelde feiten gebruik kan maken van de door hem bij

de RDW opgevraagde kentekengegevens, maakt niet dat eiseres niet langer aan haar

primaire bewijslast behoeft te voldoen. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat verweerder op

grond van paragraaf 2 onder 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht de kwestie inzake het

overleggen van de kentekengegevens aan de zogenoemde kennisgroep van de

Belastingdienst had moeten voorleggen en dat de kennisgroep dan zou hebben bevestigd dat

verweerder de kentekengegevens moest overleggen. Zo uit voornoemd Besluit al zou volgen

dat verweerder deze kwestie had moeten voorleggen aan de kennisgroep, kan aan het

achterwege laten daarvan niet de conclusie worden verbonden dat het standpunt van eiseres

in deze juist is. Eiseres heeft haar enkele stelling dat de kennisgroep haar standpunt zou

volgen niet met enig bewijs gestaafd.

Rentenadeel door verschil in heffingsmodaliteiten

12. Uit artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen volgt dat een beroep

tegen de voldoening op aangifte uitsluitend betrekking kan hebben op de hoogte van de

materiële belastingschuld. De door eiseres gestelde renteschade vindt niet zijn grondslag in

de hoogte van de verschuldigde belasting maar in het moment van de betaling daarvan.

Voor het rentenadeel dat eiseres stelt te ondervinden van de eerdere betaling, dient eiseres

zich dan ook tot de civiele rechter te wenden.

Co2

13. De rechtbank begrijpt eiseres aldus dat het risico bestaat dat voor de auto’s II en V

van een te hoge Co2-uitstootwaarde is uitgegaan, en daarmee de verschuldigde Bpm op een

te hoog bedrag is berekend, omdat niet uitgesloten kan worden dat de uitstoot is berekend op

basis van de sinds 2018 gebruikte WLTP-methode, de opvolger van de NEDC-methode. Zij

wijst in dit verband op niet nader geconcretiseerde rapporten van KPMG en TNO. Om tot

een realistische uitstootwaarde te komen, dient een WLTP waarde met ingang van 1

september 2017 te worden teruggerekend naar een NEDC waarde. Eiseres heeft in de

aangifte de Co2-uitstootwaarde vermeld die op het keuringsformulier van de RDW is

ingevuld. Zij stelt dat uit dat formulier niet blijkt waarop de RDW die uitstoot heeft

gebaseerd en of en in hoeverre de RDW de uitstootwaarde heeft herrekend naar een NEDC

waarde. Volgens eiseres moet verweerder bewijzen dat niet van een te hoge Co2-uitstoot is

uitgegaan. Zoals hiervoor bij 8 is overwogen rust de bewijslast voor

belastingverminderende factoren op eiseres. Met de enkele stelling dat vermoedelijk van een

te hoge Co2-uitstoot is uitgegaan, is zij daarin niet geslaagd. De rechtbank neemt daarbij in

aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de auto door de RDW is gekeurd

en dat daarbij wordt uitgegaan van de Co2-uitstoot zoals die is vernield op het buitenlandse

kentekenbewijs. Volgens verweerder wordt de Co2-uitstootwaarde zoals vermeld op dat

kentekenbewijs, indien nodig, altijd teruggerekend naar een NEDC waarde, waardoor per

definitie wordt uitgegaan van de laagst mogelijke uitstootwaarde.

Immateriële schade

14. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een

periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt

beschouwd, waarvan een halfjaar aan de bezwaarfase dient te worden toegerekend. Het

oudste bezwaarschrift is op 18 april 2019 door verweerder ontvangen. Nu de rechtbank op

22 december 2020 uitspraak doet, is van overschrijding van de redelijke termijn geen

sprake.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden

verklaard.

Verzoek prejudiciële vragen

16. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden om

prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de hoorplicht is geschonden, wie de bewijslast heeft, of de heffingsmodaliteiten voor uit andere lidstaten afkomstige auto’s in strijd zijn met het Unierecht, of de auto als een ex-rental in de heffing moet worden betrokken, of is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot en de hoogte van de proceskostenvergoeding. Voorts verzoekt belanghebbende om een passende rentevergoeding.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot teruggaaf van de BPM en tot toekenning van vergoedingen wegens proceskosten en gederfde rente.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Stellen van prejudiciële vragen

5.1.

Het Hof is, als instantie tegen wiens uitspraken cassatie kan worden ingesteld bij de Hoge Raad, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Schending hoorplicht

5.2.

De Rechtbank heeft aan de hand van de gedingstukken vastgesteld dat in de bezwaarfase een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Het Hof komt tot dezelfde vaststelling. Dat de Inspecteur heeft geweigerd bepaalde gegevens te verzamelen en/of te verstrekken, zoals kentekengegevens (het Hof merkt ten overvloede op dat belanghebbende de meest gerede partij is om relevante gegevens over de auto te verzamelen en te verstrekken) heeft niet tot gevolg dat geen hoorgesprek mogelijk was of dat de Inspecteur zijn hoorplicht heeft geschonden. Het Hof verenigt zich op dit punt met het oordeel van de Rechtbank. Dit heeft tot gevolg dat het andersluidende standpunt van belanghebbende faalt.

Heffingsmodaliteiten

5.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsmodaliteiten die op de invoer van gebruikte auto’s uit andere lidstaten van toepassing zijn, strijdig zijn met het Unierecht. Het Hof verenigt zich met het oordeel van de Rechtbank op dit punt en maakt dit en de overwegingen daartoe tot de zijne.

5.4.

Het Hof stelt voorop dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat er waardeverminderende omstandigheden zijn (HR 17 januari 2020, nr. 18/03802, ECLI:NL:HR:2020:63). Belanghebbende heeft geen enkele concrete onderbouwing geleverd van zijn standpunt dat te veel BPM is geheven. Dat altijd van de voor belanghebbende gunstigste omstandigheid (zoals ex-rental en lagere CO2-uitstoot) mag worden uitgegaan ook als deze omstandigheid zich niet voordoet, is niet juist. Dit standpunt faalt.

Rentevergoeding

5.5.

Belanghebbende zal, om een passende rentevergoeding te krijgen, een verzoek moeten doen aan de ontvanger. Binnen deze procedure kan het verzoek niet worden behandeld (HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341 en 13 april 2018, nr. 17/01548, ECLI:NL:HR:2018:583). Dit geldt ook voor de vergoeding van rente over het wel verschuldigde bedrag aan BPM omdat, naar belanghebbende veronderstelt, de BPM voortijdig - in strijd met het Unierecht - en wel tien dagen te vroeg moet worden betaald. Ten overvloede verwerpt het Hof het standpunt dat de heffingssystematiek van BPM, in het bijzonder de heffing via voldoening op aangifte, in zoverre in strijd is met het Unierecht. Op de voldoening van BPM op nieuwe voertuigen is immers een vergelijkbare heffingssystematiek van toepassing. Ook voor deze voertuigen moet de BPM worden voldaan, voordat een kenteken wordt afgegeven. Voor alle voertuigen geldt dat de verschuldigde belastingen op aangifte moeten worden voldaan voordat de registratie plaatsvindt. De houder van een uit een andere lidstaat afkomstig voertuig wordt dus niet slechter behandeld in dit opzicht. De uitoefening van uit het Unierecht voortvloeiende rechten wordt belanghebbende niet bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt, althans belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De formele Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden niet geschonden. Het standpunt van belanghebbende faalt.

Proceskosten beroep

5.6.

Gelet op de uitkomst van het beroep, heeft de Rechtbank terecht geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Hetgeen belanghebbende hierover stelt, behoeft geen bespreking.

Griffierecht

5.7.1.

Belanghebbende klaagt in de kern erover dat zij ten onrechte het griffierecht voor het beroep en het hoger beroep eerst volledig moet betalen om het onderhavige belastinggeschil door de Rechtbank en het Hof te laten beoordelen. Dit Nederlandse systeem van het vooraf heffen van griffierecht, is volgens belanghebbende in strijd met het Unierecht. Bovendien moet op grond van het Unierecht de hoogte van het verschuldigde griffierecht worden beperkt tot maximaal 4% van de verschuldigde belasting, aldus belanghebbende.

5.7.2.

Deze klachten treffen naar het oordeel van het Hof, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, nr. 18/04973, ECLI:NL:HR:2019:1579, geen doel. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“3.1.3 (…) Uit het arrest Kantarev (Hof: Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, N. Kantarev, C-571/16, ECLI:EU:C:2018:807), kan niet als algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4 procent van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Evenmin volgt uit dat arrest dat altijd een vermindering of ontheffing van griffierecht moet worden verleend wanneer het (financiële) belang van de zaak gering is. Of het griffierecht de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan particulieren toegekende rechten praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt en daarom in strijd is met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de hoogte van het verschuldigde recht al dan niet een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt en of er ontheffingsmogelijkheden bestaan (vgl. punten 134 en 135 van het arrest Kantarev).

3.1.4.

In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699). Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het in het arrest Kantarev bedoelde Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.

(…)’.

5.7.3.

Niet gezegd kan worden dat de heffing van de onderhavige griffierechten het voor belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt om de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep aan te wenden.

5.8.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, H.A.J. Kroon en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. De beslissing is op 15 juli 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.