Belastingrecht

Gerechtshof Den Haag · Hoger beroep · Belastingrecht

Gerechtshof Den Haag, 6 februari 2024

Zaakgegevens

Op 6 februari 2024 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
6 februari 2024
Datum publicatie
25 april 2024
Zaaknummer
BK-22/1327 tot en met BK-22/1330
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:668
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Compromis

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 15 november 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:14748
  2. Gerechtshof Den Haag · 6 februari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2024:668

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-22/1327 tot en met BK-22/1330

Uitspraak van 6 februari 2024

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: B. Kortenbach)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 november 2022, nummers SGR 21/3359, SGR 21/3360, SGR 21/6249 en SGR 21/6250.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2015 en 2016 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), alsmede aanslagen in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd (de aanslagen). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is aan belanghebbende belastingrente in rekening gebracht (de beschikkingen belastingrente).

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de aanslagen en de beschikkingen belastingrente ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 136. De Inspecteur heeft een stuk met het opschrift "verweerschrift" ingediend. Dat stuk is, gelet op het moment waarop het is ingediend, aangemerkt als een stuk in de zin van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Belanghebbende heeft op 12 januari 2024 een nader stuk, met negen bijlagen, ingediend.

1.4.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 januari 2024. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt over hetgeen hen verdeeld heeft gehouden, en wel zodanig dat naar hun gemeenschappelijke oordeel het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt en de onderhavige aanslagen op die grond moeten worden vernietigd. Voorts zijn partijen overeengekomen dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, dat de proceskosten door de Inspecteur worden vergoed volgens de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht rekening houdend met een wegingsfactor 2 (gewicht van de zaak), alsmede dat het wegens het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht door de Inspecteur aan belanghebbende wordt vergoed.

2.2.

Het Hof zal partijen hierin volgen, aangezien dit compromis geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook overigens gedragen wordt door de ten processe vaststaande feiten en omstandigheden. In dit oordeel ligt besloten dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand kan blijven en dat moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

3.1.

Gelet op het hiervoor overwogene ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 7.000 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank en voor het Hof (4 punten à € 875 x 2 (gewicht van de zaak)) en € 1.240 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 310 x 2 (gewicht van de zaak)), vermenigvuldigd met factor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken, in totaal derhalve op € 12.360.

3.2.

Voorts dient door de Inspecteur aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 49, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 136 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • verklaart de beroepen gegrond;

  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • vernietigt de aanslagen en de beschikkingen belastingrente;

  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 12.360; en

  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van €185 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, F.G.F. Peters en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 6 februari 2024 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.