Belastingrecht
Gerechtshof Den Haag · Hoger beroep · Belastingrecht
Gerechtshof Den Haag, 21 januari 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:373 · Gerechtshof Den Haag · 21 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2025-373
Zaakgegevens
Op 21 januari 2025 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 januari 2025
- Datum publicatie
- 12 maart 2025
- Zaaknummer
- BK-24/147
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2025:373
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uitspraak op verzet.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 13 juni 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:965Gerechtshof Den Haag · 21 januari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2025:373
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/147
Uitspraak van 21 januari 2025
op het verzet van [X] te [Z] , belanghebbende (gemachtigde [gemachtigde] ), tegen na te noemen uitspraak.
Uitspraak en verzet
Belanghebbende is in verzet gekomen tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling van de enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 13 juni 2024, nummer
BK-24/147 (de uitspraak), waarbij het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 december 2023, nummer SGR 23/2146 op grond van artikel 8:54, lid 1, aanhef en letter b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard wegens een niet-verschoonbare overschrijding van de termijn van artikel 6:7 Awb.
Het verzet is gedagtekend 25 juli 2024. Op 21 augustus 2024 is het verzet gemotiveerd.
De mondelinge behandeling van het verzet stond gepland ter zitting van 10 december 2024 om 11.00 uur. Belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende is via het systeem Digitale Toegang op 7 november 2024, 13:42 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. De griffier van het Hof heeft de gemachtigde op 10 december 2024 onmiddellijk voorafgaand aan de geplande zitting gebeld en de gemachtigde heeft toen telefonisch laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn, zonder daarbij een verzoek te doen om uitstel. Een mondelinge behandeling van het verzet heeft daarop niet plaatsgehad.
Feiten
Op 15 december 2023 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, nummer SGR 23/2146.
De uitspraak van de Rechtbank is volgens een op een afschrift van die uitspraak geplaatste datumstempel op 20 december 2023 aan belanghebbende verzonden.
Belanghebbende heeft op 5 februari 2024 digitaal hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.
Standpunt belanghebbende
Belanghebbende stelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb. Daartoe voert belanghebbende in zijn pro-formaverzetschrift van 25 juli 2024, voor zover in verzet van belang, het volgende aan:
“(…)
Belanghebbende komt voor de genoemde zaak op tegen de niet-ontvankelijk verklaring.
In de periode van 23 januari 2024 tot en met 1 februari 2024 was het voor ons niet mogelijk om de zaak digitaal te uploaden.
In deze periode is de FIOD bij ons binnengevallen en heeft [gemachtigde] vastgezeten. Tijdens de inval hebben ze ook alle middelen in beslag genomen, waardoor wij niets konden doen.
(…)”
De op 21 augustus 2024 ingediende gronden van het verzet luiden, voor zover in verzet van belang, als volgt:
“(…)
De uitspraak van de rechtbank is van 15 december 2024. De termijn voor het indienen van het beroep eindigt op 26 januari 2024.
Op 24 januari 2024 is er een FIOD-inval geweest bij [kantoor gemachtigde], waarbij alle communicatiemiddelen in beslag zijn genomen (computers/telefoons/laptops).
De communicatiemogelijkheden met Uw gerechtshof zijn daarbij ontnomen. Er zijn nieuwe computers aangeschaft, die geherinstalleerd moesten worden en moesten worden voorzien van software, etc. etc.. Bovendien was de impact dusdanig dat op 25 januari 2024 betrokkenen niet in staat waren te werken (ik was in hechtenis genomen).
Pas vanaf 28 januari 2024 zijn de eerste communicatiemogelijkheden hersteld. Daarna zijn de beroepen ingestuurd aan de betrokken instanties.
De te late inzending is niet verwijtbaar, het was immers onmogelijk, daadwerkelijk, effectief, tijdig de stukken in te sturen.
(…)”
Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat door een absolute werking toe te kennen aan het rechtszekerheidsbeginsel, zonder te toetsen aan het legaliteitsbeginsel, sprake is van strijdigheid met het recht van de Europese Unie.
Beoordeling van het verzet
Bij de beoordeling van het hoger beroep staat voorop dat een belanghebbende op de voet van artikel 8:55, lid 1, Awb verzet kan doen tegen een uitspraak die de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:54 Awb heeft gedaan. Dat verzet betreft de vraag of de bestuursrechter ten onrechte behandeling van het hoger beroep ter zitting achterwege heeft gelaten vanwege de kennelijke uitkomst, in dit geval de niet-ontvankelijkheid, van het hoger beroep. Als twijfel ontstaat omtrent de juistheid van de in verzet bestreden uitspraak, dient de verzetsrechter het verzet gegrond te verklaren opdat het onderzoek wordt voortgezet. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een normale behandeling van de zaak – dat wil zeggen: met een onderzoek ter zitting in de zin van artikel 8:56 Awb – nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient de rechter het verzet te beoordelen met inachtneming van die argumenten (vgl. HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966, BNB 2021/135, r.o. 2.4.2 en de in de voetnoot daarbij genoemde jurisprudentie).
Verschoonbare termijnoverschrijding?
Niet in geschil is dat het hogerberoepschrift van belanghebbende buiten de termijn van artikel 6:7 Awb is ingediend. Belanghebbende beroept zich er in verzet op dat hij ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb).
Voor het antwoord op de vraag of een termijnoverschrijding verschoonbaar is, dient in de eerste plaats beoordeeld te worden of een termijnoverschrijding aan de indiener van een bezwaar of (hoger)beroepschrift kan worden toegerekend. Voor het oordeel dat een termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend, kan grond bestaan als deze het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook wegens andere redenen. Als de termijnoverschrijding aan de indiener kan worden toegerekend, dan is deze niet verschoonbaar. Kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend, dan moet worden beoordeeld of het bezwaar- of beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd (CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, BNB 2024/29, r.o. 2.3, HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, BNB 2024/53 en HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, BNB 2024/61).
Als de belanghebbende gedurende (een deel van) de overschreden bezwaar- of beroepstermijn werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener, geldt dat diens handelen in beginsel voor risico van de indiener komt. Van een professionele rechtshulpverlener mag immers onder meer worden verwacht dat deze de termijnen bewaakt, eventueel gebruik maakt van de mogelijkheid om een pro-formabezwaarschrift of
-(hoger)beroepschrift in te dienen, in geval van een capaciteitstekort inspanningen verricht om dit op te vangen en tijdig voorzieningen treft voor vervanging bij eventuele uitval. Een termijnoverschrijding zal om die reden doorgaans niet verschoonbaar zijn. Uitzondering op dit uitgangspunt kunnen zijn (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener zelf. De lat ligt hier dus hoger dan bij individuele burgers, vanwege de professionaliteit die in geval van beroepsmatig handelen mag worden verwacht (CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, BNB 2024/29, r.o. 5.1).
De gemachtigde van belanghebbende is een professionele dienstverlener. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die er aan in de weg staan dat het handelen van de gemachtigde voor risico komt van belanghebbende. Het handelen van gemachtigde komt daarom voor risico van belanghebbende.
De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:7 Awb zes weken. De uitspraak van de Rechtbank is op woensdag 20 december 2023 verzonden – dit wordt door belanghebbende niet betwist – en is dus op die dag bekendgemaakt. De termijn van zes weken begon te lopen op donderdag 21 december 2023 en eindigde op woensdag 31 januari 2024 en niet, zoals belanghebbende stelt (zie 3.2), op vrijdag 26 januari 2024.
Belanghebbende stelt in zijn pro-formaverzetschrift van 25 juli 2024 dat het in de periode van 23 januari 2024 tot en met 1 februari 2024 niet mogelijk was stukken digitaal te uploaden. In de gronden van het verzet van 21 augustus 2024 stelt belanghebbende dat vanaf 28 januari 2024 de eerste communicatiemogelijkheden zijn hersteld. De gronden van het verzet bevatten een meer gedetailleerde uiteenzetting van het tijdspad van de gebeurtenissen rondom de FIOD-inval dan het pro-formaverzetschrift. Het Hof ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan het in de gronden van het verzet uiteengezette tijdspad van de gebeurtenissen rondom de FIOD-inval. Dat betekent dat belanghebbende in ieder geval vier dagen de tijd heeft gehad om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de Rechtbank (te weten: op 28 januari 2024, de eerste dag dat de eerste communicatiemogelijkheden zijn hersteld, 29, 30 en 31 januari 2024). Gesteld noch gebleken is dat gedurende deze periode sprake is geweest van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de gemachtigde die er aan in de weg hebben gestaan dat tijdig hoger beroep werd ingesteld. Het enkele feit dat de gemachtigde van belanghebbende in detentie heeft gezeten, is niet een dergelijke omstandigheid. Van een professionele dienstverlener mag verwacht worden dat hij maatregelen treft om ervoor te zorgen dat er opvang is als hij wegvalt. Dat in het onderhavige geval sprake was van wegvallen als gevolg van detentie, en niet van een in de praktijk vaker voorkomende situatie, zoals bijvoorbeeld ziekte, maakt dat niet anders. Daar komt bij dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan aannemelijk geoordeeld kan worden dat de gemachtigde van belanghebbende gedurende zijn detentie niet in staat is geweest om maatregelen te nemen voor vervanging tijdens zijn uitval (vgl. CRvB 1 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1489).
Ten overvloede wordt opgemerkt dat de FIOD-inval en de inbeslagname van computers geen beletsel vormde om – bij wijze van noodmaatregel – schriftelijk (pro) forma hoger beroep in te stellen vanaf 24 januari 2024. In dat geval had het Hof belanghebbende in de gelegenheid moeten stellen om het verzuim van geen gebruikmaken van het digitale portaal terwijl belanghebbende wel digitaal procedeert, te herstellen (artikel 3, lid 3, van het Procesreglement belastingkamers gerechtshoven 2022 (Staatscourant 2022, 3694) in verbinding met artikel 8:36a, lid 5, Awb). Feiten en omstandigheden op basis waarvan aannemelijk is dat zo’n schriftelijk hoger beroep – bij wijze van noodmaatregel – niet mogelijk was, zijn gesteld noch gebleken.
Strijdigheid met EU-recht
Belanghebbende stelt dat de toepassing van de artikelen 6:7 en 6:11 Awb strijdig is met het recht van de Europese Unie, maar hij onderbouwt deze stelling niet en daarom gaat het Hof daaraan voorbij. Voor zover zijn stelling zou zien op strijdigheid de artikel 6:7 en 6:11 Awb met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, faalt dit betoog (vgl. HR 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0637, BNB 2001/238, en
HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AM3206, BNB 2005/283).
Slotsom
Gelet op het voorgaande is het hoger beroep terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Deze uitspraak is gegeven op grond van de artikelen 6:7, 6:8, 6:11 en 8:55 Awb.
Proceskosten
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, P.J.J. Vonk en R.A. Bosman, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 21 januari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.