Belastingrecht

Geheimhoudingsbeslissing. Geen belang belanghebbende.

Gerechtshof Den Haag, 4 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 4 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
4 augustus 2026
Datum publicatie
4 augustus 2026
Zaaknummer
BK-26/529
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2521
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geheimhoudingsbeslissing. Geen belang belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

enkelvoudige geheimhoudingskamer

nummer BK-26/529

Beslissing van 4 augustus 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De Rechtbank heeft op 21 juli 2026 uitspraak gedaan. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft in het verweerschrift een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 Awb gedaan.

1.6.

Belanghebbende is bij bericht van 29 juli 2026 in de gelegenheid gesteld op het verzoek van de Inspecteur te reageren. Belanghebbende heeft bij bericht van 29 juli 2026 gereageerd.

1.7.

De geheimhoudingskamer heeft besloten het verzoek zonder zitting te behandelen.

Overwegingen

2.1.

Op grond van artikel 8:29, lid 1, Awb kan de inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, over te leggen (geheimhouding) dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis brengen (beperkte kennisneming). Ingevolge artikel 8:29, lid 5, Awb is beperkte kennisneming slechts toegestaan met toestemming van de andere partij. Bij de toepassing van artikel 8:29 Awb dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die de weigering om stukken ongeschoond te verstrekken rechtvaardigen.

2.2.

In hoger beroep heeft de Inspecteur een beroep gedaan op artikel 8:29 Awb en verzocht om de in een e-mail vermelde namen van ambtenaren van het Ministerie van Financiën niet aan belanghebbende kenbaar te maken. Het betreft een e-mail tussen ambtenaren van voornoemd Ministerie en ambtenaren van de Belastingdienst naar aanleiding van een e-mail die belanghebbende naar het Woo-team van voornoemd Ministerie had gestuurd. Belanghebbende heeft in zijn reactie aangegeven zich te verzetten tegen geheimhouding.

2.3.

Naar het oordeel van het Hof hoeven de weggelakte namen niet aan belanghebbende bekend te worden gemaakt. Niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende enig belang bij kennisneming heeft. Weging van de belangen doet de balans dus uitslaan naar het belang van de ambtenaren, dat is gelegen in de bescherming van hun privacy.

2.4.

De slotsom luidt dat het verzoek om beperkte kennisneming gerechtvaardigd is.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • beslist dat de door de Inspecteur verzochte beperkte kennisneming gerechtvaardigd is;

  • verzoekt belanghebbende binnen vier weken mee te delen of de zetel die de hoofdzaken zal behandelen, mag kennisnemen van het ongeschoonde stuk.

Deze beslissing is genomen door A. van Dongen, lid van de geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier I. Hoogendoorn.

De griffier, de voorzitter,

I. Hoogendoorn A. van Dongen

De beslissing is op 4 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Tegen tussenbeslissingen, zoals die bedoeld in artikel 8:29, lid 3, Awb, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, lid 5, AWR slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.