Belastingrecht

Art. 7:15 Awb. Art. 7:3 Awb. Art. 6:17 Awb. Terecht geen proceskostenvergoeding toegekend. Geen schending…

Gerechtshof Den Haag, 1 september 2026

Zaakgegevens

Op 1 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
1 september 2026
Datum publicatie
7 september 2026
Zaaknummer
BK-25/823 en BK-25/824
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2803
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 7:15 Awb. Art. 7:3 Awb. Art. 6:17 Awb. Terecht geen proceskostenvergoeding toegekend. Geen schending hoorrecht. Geen algemene toezendingsplicht voor de Heffingsambtenaar voor stukken die de belanghebbende alleen aan hem en niet aan de gemachtigde heeft doen toekomen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 9 oktober 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:19456
  2. Gerechtshof Den Haag · 1 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2803

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-25/823 en BK-25/824

Uitspraak van 1 september 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.L.M. Reijnen)

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 oktober 2025, nummers SGR 25/1782 en 25/1786.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2023 en 2024 ambtshalve aanslagen in de toeristenbelasting opgelegd, beide ten bedrage van € 1.809,50 (de aanslagen).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. De aanslagen zijn bij de uitspraken op bezwaar verminderd tot respectievelijk € 136,50 en € 101,50.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 53. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 18 augustus 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (de woning). Belanghebbende heeft de woning in 2023 en 2024 tegen vergoeding aangeboden voor overnachtingen.

2.2.

Belanghebbende heeft over de jaren 2023 en 2024 geen aangifte toeristenbelasting gedaan. De aanslagen zijn ambtshalve opgelegd.

2.3.

Met dagtekening 12 juli 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbende middels twee afzonderlijke bezwaarschriften bezwaar tegen de in 1.1 vermelde aanslagen gemaakt. Bij de bezwaarschriften is een machtiging tot procesvertegenwoordiging gevoegd.

2.4.

Belanghebbende heeft op 24 september 2024 en op 21 oktober 2024 de informatie over het aantal individuele overnachtingen in respectievelijk 2023 en 2024 aan de Heffingsambtenaar verstrekt. Naar aanleiding hiervan zijn de aanslagen, conform de door belanghebbende verstrekte gegevens, verminderd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“3. In geschil is of aan eiser ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend en of eiser ten onrechte niet is gehoord.

4. Artikel 7:15, lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), luidt als volgt:

“2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.”

5. Nu de aanslagen ambtshalve zijn vastgesteld vanwege het niet doen van aangiften toeristenbelasting door eiser, zijn de aanslagen enkel verminderd omdat eiser pas naderhand informatie heeft verstrekt op basis waarvan de aanslagen zijn verminderd, en is derhalve geen sprake van een herroeping van een besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Indien eiser juiste aangiften had ingediend, waren de aanslagen conform de aangiften vastgesteld. Nu de verlaging van de aanslagen slechts te wijten is aan eiser zelf, komt eiser niet in aanmerking voor een proceskostenvergoeding in de zin van artikel 7:15 Awb.

6. De stelling van eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord door verweerder, volgt de rechtbank niet, aangezien op grond van artikel 7:3, onderdeel e van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verweerder mocht afzien van horen aangezien hij volledig aan het bezwaar van eiser is tegemoetgekomen. Dat verweerder eiser niet hoefde te horen in het kader van het niet toekennen van een proceskostenvergoeding volgt tevens uit het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2019[1], waarin zij in r.o. 2.4 het volgende overweegt:

“Indien het bestuursorgaan volledig aan het bezwaar tegemoet komt, kan het echter op grond van artikel 7:3, aanhef en letter e, Awb afzien van het horen van de belanghebbende, mits andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Omdat de behandeling van het bezwaar strekt tot heroverweging van het primaire besluit, moet worden aangenomen dat deze uitzondering ziet op gevallen waarin het bestuursorgaan volledig tegemoet komt aan het bezwaar dat tegen dat primaire besluit is gemaakt. In het kader van dat bezwaar gedane bijkomende verzoeken, zoals een verzoek om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt of een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, behoren niet tot de grondslag van het bezwaar tegen het primaire besluit. Als het bestuursorgaan het voornemen heeft om niet of niet volledig te voldoen aan dergelijke in het kader van hel bezwaar gedane verzoeken, is het dan ook niet op grond van artikel 7:2 Awb verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.”

7. De stelling van eiser ter zitting dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd door verweerder waaronder de aangiften toeristenbelasting, treft geen doel, aangezien eiser zelf beschikt over de ingediende aangiften toeristenbelasting.

(…)

[1] ECLI:NL:HR:2019: 1619”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is:

  1. of ten onrechte geen proceskostenvergoeding aan belanghebbende is toegekend,

  2. of het hoorrecht geschonden is, en

  3. of artikel 6:17 Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden is.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar, doch uitsluitend voor zover geen proceskostenvergoeding is verleend, en tot het alsnog toekennen van proceskostenvergoeding met instandhouding van de uitspraken op bezwaar en de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

4.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Geschilpunten a en b: Proceskostenvergoeding en hoorrecht

5.1.

Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partijen in hoger beroep toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank, voor zover het de toekenning van de proceskostenvergoeding en de schending van het hoorrecht betreft (de hiervoor vermelde geschilpunten a en b), op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en in zoverre terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of eerste aanleg zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven.

Geschilpunt c: artikel 6:17 Awb

5.2.

De gemachtigde van belanghebbende stelt dat artikel 6:17 Awb is geschonden, nu de door belanghebbende verstrekte informatie (zie 2.4), die door de gemachtigde worden aangeduid als nadere stukken, niet aan hem zijn doorgestuurd.

5.3.

Artikel 6:17 Awb luidt als volgt:

“Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, stelt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval ter beschikking aan de gemachtigde.”

5.4.

Anders dan belanghebbende meent, houdt het artikel geen algemene toezendingsplicht in. Het artikel ziet er slechts op dat indien en voorzover uit hoofde van een andere bepaling uit het Awb een toezendingsverplichting volgt, de betreffende stukken in ieder geval aan de gemachtigde worden gezonden (vgl. Gerechtshof Amsterdam, 15 maart 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1433). Er bestaat geen toezendingsplicht voor de door belanghebbende alleen aan de Heffingsambtenaar en niet aan zijn gemachtigde verstrekte informatie. Derhalve is geen sprake is van een schending van artikel 6:17 Awb.

Slotsom

5.5.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, W. de Wit en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.

De griffier, de voorzitter,

D.W. Renes P.J.J. Vonk

De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.