Belastingrecht

BPM. Hof laat taxatierapport belanghebbende buiten beschouwing omdat het niet de staat van de auto van…

Gerechtshof Den Haag, 24 juni 2026

Zaakgegevens

Op 24 juni 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
24 juni 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
BK-25/491
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2880
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BPM. Hof laat taxatierapport belanghebbende buiten beschouwing omdat het niet de staat van de auto van belanghebbende weergeeft op het moment van het doen van aangifte. Belanghebbende mag zich ter zake van de schade aan de auto beroepen op het rapport van DRZ. Gelet op de verschillen tussen de auto en het referentievoertuig zijn de door partijen in aanmerking genomen netto catalogusprijs en handelsinkoopwaarde niet zonder meer bruikbaar voor het bepalen van de afschrijving van de auto.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 20 mei 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:9383
  2. Gerechtshof Den Haag · 24 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2880

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/491

Uitspraak van 24 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 mei 2025, nummer SGR 23/6964.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 11.467 (de naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft op 30 maart 2026 een pleitnota ingediend. De Inspecteur heeft op 23 maart en op 3 april 2026 een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 april 2026. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota en een nader stuk overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan ter zake van een Dodge Challenger Hellcat 6.2 V8 (de auto). De datum van eerste toelating is 3 juli 2019. De aangifte bpm is op 24 januari 2023 ontvangen door de Inspecteur.

2.2.

In de aangifte bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 109.330, de netto catalogusprijs op € 45.882 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 56.660 (koerslijst Eurotax XchangeNet). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto de schade is bepaald op € 30.103 waarvan 72 % (€ 21.674) in aanmerking is genomen en onder aftrek van een ‘waardeverminderende factor’ ten bedrage van € 8.079) is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 26.907. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 5 januari 2023. Het taxatierapport vermeldt als aanvangstijdstip van de fysieke opname 09:57 uur en als tijdstip van beëindiging 10:12 uur. Het taxatierapport is gedagtekend 19 januari 2023. Het taxatierapport vermeldt onder meer:

“De automatische versnellingsbak verkeert in een beschadigde staat (zie bijlage Silverdat schadecalculatie), de aandrijving verkeert voor zover waarneembaar in een redelijke staat.”

2.3.

De auto is blijkens de inkoopfactuur op 28 augustus 2022 door de firma [naam 2] in [vestigingsplaats] gekocht met schade (Unfallschaden) voor € 20.800 ((§25a differenzbesteuert) van [naam 3] GmbH in [buitenlandse plaats] (Duitsland).

2.4.

De datum van keuring door de RDW is 10 januari 2023.

2.5.

Er heeft een hertaxatie plaatsgevonden door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 7 februari 2023 vermeldt een historische nieuwprijs van € 109.330, een netto catalogusprijs van € 45.882, een handelsinkoopwaarde van € 56.660 (koerslijst Eurotax XchangeNet) en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 52.539 (schade € 13.120, aftrek 31% (€ 4.067)). Het DRZ-rapport vermeldt onder ‘bevindingen/opmerkingen’ (punt 6 van het rapport):

“*De taxateur van DRZ heeft geen defecten kunnen vaststellen aan de transmissie.

Er zijn geen meldingen weergegeven in het display, tevens is het voertuig naar binnen en naar buiten gereden bij de controle. In de aangifte is geen enkele onderbouwing m.b.t. een defect aan de transmissie welke de opgegeven reparatie rechtvaardigd. Op basis van deze feiten en omstandigeheden heeft DRZ de opgegeven herstelkosten afgewezen.

Er is reeds aan het voertuig gerepareerd. De door DRZ berekende herstelkosten zijn afdoende om het voertuig terug te brengen in een nette staat.

Het aangegeven voertuig is voor de berekening van de consumentenprijs en

handelsinkoopwaarde niet te selecteren in de koerslijsten. DRZ heeft de berekende waarden overgenomen uit de aangifte welke gebasseerd zijn op en Chevrolet Camaro. Er zijn geen redenen om hiervan af te wijken.

Voor de calculatie van de opgegeven waardevermindering is in de aangifte uitgegaan van een Audi S5 als fantoomvoertuig. DRZ heeft als fantoomvoertuig een BMW 6-serie geselecteerd. Deze wordt aangegeven als officieel fantoomvoertuig.”

2.6.

De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 22.328. Belanghebbende heeft dit bedrag op 10 februari 2023 betaald.

2.7.

De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag van € 11.467 opgelegd. De verschuldigde bpm is berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, omdat dat gunstiger is voor belanghebbende dan een berekening op basis van de waardebepaling van DRZ.

2.8.

Tot de gedingstukken behoort een document van 16 mei 2023 van [naam 4] B.V. […] , vestigingsmanager bij [naam 4] Groep, heeft per e-mail van 20 augustus 2025 verklaard dat het geen factuur maar een offerte betreft.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Waardevermindering wegens schade

10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat zij met verweerder van oordeel is dat dit rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten en dient te worden verworpen, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiser kleven, zoals door verweerder ook uitgebreid weergegeven in zijn verweerschrift. Naar het oordeel van de rechtbank dient eisers taxatierapport reeds te worden verworpen vanwege het feit dat de staat van de auto tijdens de opname en zoals weergegeven in het taxatierapport duidelijk niet overeenkomt met de staat van de auto ten tijde van de inschrijving c.q. goedkeuring door de RDW. Er zijn immers essentiële gebreken opgenomen, terwijl het voertuig door de RDW is goedgekeurd en DRZ deze ook niet heeft waargenomen. Kennelijk zijn deze schadeposten hersteld vóór keuring door de RDW en de opname door DRZ. Ook zijn er schadeposten gecalculeerd op basis van zichtbare schade en zonder deugdelijke onderbouwing van fotomateriaal, terwijl deze tijdens de controle door DRZ niet (meer) aanwezig waren. Verder is ook niet voldaan aan voorwaarden van de zogenoemde 1maandstermijn; de expertise door de taxateur van eiseres heeft, aldus de taxateur, op 25 november 2020 plaatsgevonden, terwijl het taxatierapport dateert van 7 januari 2021.

Verweerder wijst in dit verband terecht ook nog op de aankoopprijs van € 20.800, welke ook een belangrijk uitgangspunt is en waarin ook steun te vinden is voor de conclusie dat eisers taxatie onjuist en ondeugdelijk is. Dat zou immers betekenen dat eiser op basis het taxatierapport en de aangifte Bpm een bedrag van € 72.231 (aankoopbedrag + schadebedrag + betaalde Bpm, exclusief p.m.) heeft betaald voor een auto in beschadigde staat terwijl de taxateur aangeeft dat de auto maar € 26.907 (inclusief Btw en Bpm en schade) waard zou zijn.

11. Eiser kan zich dan ook niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van zijn stelling dat teveel Bpm is nageheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee dus ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld.

Schadeaftrek 31%

12. Eiser stelt dat het door DRZ vastgestelde percentage van de schadeaftrek van 31% te laag is. Volgens eiser dient de waardevermindering minstens op 72% vastgesteld te worden. Eiser stelt daarbij ook dat de zogenoemde 31%-regel (die de aftrek in beginsel beperkt tot 31% van de schade) zoals vastgesteld in artikel 3.5 van Bijlage 1 van de Uitvoeringregeling Wet BPM onverbindend verklaard dient te worden, omdat de gegevens die ten grondslag liggen aan de totstandkoming van die regel niet openbaar zijn gemaakt.

13. Artikel 3.5 van Bijlage 1 van de Uitvoeringregeling Wet BPM, luidt voor het onderhavige jaar als volgt:

“De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar vermeerderd met de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd.”

14. Verweerder heeft, overeenkomstig de bevindingen en conclusies van zijn deskundige van DRZ én overeenkomstig de hiervoor aangehaalde wettelijke bepaling, de schadeaftrek beperkt tot 31% van de getaxeerde herstelkosten. Dit is in beginsel terecht; het is dan vervolgens aan eiser om aannemelijk te maken dat de schade die is geconstateerd voor een hoger percentage in aanmerking dient te worden genomen. Daarin is eiser niet geslaagd. De rechtbank stelt hierbij voorop dat, nu hiervoor reeds is geoordeeld dat het taxatierapport van eiser niet kan dienen, daarin geen ondersteuning kan worden gevonden voor de conclusie dat de schade tot een hoger percentage in aanmerking moet worden genomen. Ook overigens heeft eiser voor de door DRZ vastgestelde schadeposten geen voldoende concrete argumenten of onderbouwing gegeven op grond waarvan dat kan worden geconcludeerd. Dit ondanks dat dit dus wel op zijn weg lag en eiser ook, uitgaande van de in het rapport van DRZ gespecificeerde in aanmerkingenomen schade, beschikte over voldoende gegevens om in staat te zijn om bewijs te leveren dat een hoger percentage in aanmerking diende te worden genomen.

15. Anders dan eiser bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding de in de wettelijke bepalingen vastgelegde 31%-regel buiten toepassing te verklaren, enkel omdat deze regeling is gebaseerd op een nieuw onderzoek, uitgevoerd door de firma [naam 5] , waarin weliswaar wordt geconcludeerd dat schade voor 23% in mindering komt op de waarde van een auto maar waarvan de aan het onderzoek ten grondslag liggende gegevens en datasets zijn niet openbaar gemaakt. De rechtbank acht daarbij tevens van belang dat eiser nog altijd de mogelijkheid heeft om, in afwijking van de uitkomsten van het bewuste onderzoek en de daarop gebaseerde wettelijk vastgelegde 31%-regeling, ervan bewijs te leveren dat de schade tot een hoge percentage in mindering op de waarde dient te komen.

Historische nieuwprijs

16. Bij registratie van gebruikte auto’s wordt de Bpm ingevolge artikel 10 van de Wet op de Bpm berekend met inachtneming van een vermindering. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit – met inachtneming van bepaalde voorwaarden – kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling Bpm voorziene afschrijvingstabel (de afschrijvingstabel). De belastingplichtige die kiest voor één van die methodes dient, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat de toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waarde.

17. Eiser heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht (zie hiervoor onder 11.), geconstateerd dat het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm.

18. De rechtbank stelt vast dat DRZ de aangifte van eiser heeft gevolgd voor wat betreft de historische nieuwprijs van € 109.330. Verder staat vast dat voor de auto geen koerslijst beschikbaar is, omdat de auto (een Dodge Challenger Hellcat 6.2 V8) niet voorkomt op een koerslijst. Er is enkel aansluiting gezocht bij een referentievoertuig, zijnde een Chevrolet Camaro Coupé 6.21 V8 Touring Aut, om het afschrijvingspercentage te benaderen. Daarbij geldt dat DRZ méér dan gewone gebruikersschade aan de auto heeft geconstateerd, en daarvan 31% op de handelsinkoopwaarde in mindering heeft gebracht. Eiser bepleit nu dat voor de bepaling van het afschrijvingspercentage moet worden uitgegaan van de catalogusprijs van de Chevrolet Camaro Coupé, verhoogd met de bruto Bpm van de auto (de Dodge Challenger), en dat deze moet worden afgezet tegen de handelsinkoopwaarde van de Chevrolet Camaro Coupé (koerslijstwaarde) minus de in aanmerking te nemen schade. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste benaderingswijze. Immers, op die wijze worden ongelijke grootheden met elkaar vergelijken, en dat leidt niet tot een juiste uitkomst van het te bepalen afschrijvingspercentage. Volgens het hiervoor onder 16. beschreven wettelijk systeem wordt de afschrijving van de auto dan bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Dat heeft verweerder ook gedaan, aangezien dat alsdan de voor eiser meest gunstige uitkomst was. Alsdan is de historische nieuwprijs verder niet relevant voor de verschuldigde Bpm. Ook in zoverre treft eisers beroep dus geen grond.

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

(…)

23. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

Immateriële schadevergoeding

24. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 23 mei 2023 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 12 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 20 mei 2025 gedaan. De redelijke termijn van twee jaar is dus nog niet verstreken, zodat ook geen recht bestaat op een isv.

Proceskosten

25. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.“

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:

1. of belanghebbende een beroep toekomt op het bij de aangifte overgelegde taxatierapport,

2. tot welk bedrag schade in aanmerking dient te worden genomen,

3. of het door DRZ in aanmerking genomen bedrag aan schade terecht voor 31% in mindering is gebracht op de inkoopwaarde in onbeschadigde staat,

4. of de Inspecteur de historische nieuwprijs juist heeft vastgesteld.

Verder is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor een immateriëleschadevergoeding.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair vermindering van de naheffingsaanslag tot € 6.924, meer subsidiair vermindering van de naheffingsaanslag tot € 10.299, veroordeling van de Staat tot vergoeding van immateriële schade, en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Geldigheid taxatierapport belanghebbende

5.1.

Het Hof stelt voorop dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De bewijslast rust aldus op belanghebbende (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3, en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2).

5.2.

Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan en daarbij op basis van een taxatierapport een bedrag aan schade (meer dan normale gebruikssporen) in aanmerking genomen. De Inspecteur stelt dat dat taxatierapport niet kan dienen wegens diverse gebreken en dat de verschuldigde bpm moet worden bepaald op basis van de forfaitaire tabel.

5.3.

Het taxatierapport vermeldt dat de automatische versnellingsbak in een beschadigde staat verkeert. De bij het taxatierapport gevoegde (fantoom)schadecalculatie vermeldt een bedrag aan kosten voor het onderdeel automatische transmissie van € 11.103,60 (exclusief omzetbelasting) en daarnaast nog arbeidsloon voor het uit- en inbouwen ervan. Het taxatierapport vermeldt verder niets over de automatische transmissie van de auto. De RDW heeft de auto, ondanks de gestelde beschadigde staat van de automatische transmissie, goedgekeurd. De gemachtigde van belanghebbende heeft in dat kader ter zitting van het Hof verklaard dat de RDW bij een keuring de transmissie niet beoordeelt. Het Hof acht dat niet aannemelijk. DRZ heeft geen gebreken geconstateerd aan de automatische transmissie van de auto (zie onder 2.5) en daarover in het rapport van hertaxatie een uitvoerige toelichting gegeven. Het Hof komt op grond van het vorenoverwogene dan ook tot de conclusie dat met het taxatierapport niet aannemelijk is gemaakt dat ten tijde van het doen van aangifte sprake was van schade aan de automatische transmissie.

5.4.

Het taxatierapport vermeldt voorts diverse schadeposten die niet zijn waar te nemen op de bij het taxatierapport gevoegde foto’s. De gemachtigde van belanghebbende heeft ook verklaard dat deelherstel heeft plaatsgevonden. Diverse schadeposten in het taxatierapport zijn niet waargenomen door DRZ en ook niet te zien op de door DRZ gemaakte foto’s. De taxateur heeft het door hem berekende schadebedrag (72%) verhoogd met een waarde verminderende factor van € 8.079. Deze verhoging is onderbouwd met: “Dit bedrag wordt bij het 72% schadebedrag geteld om het berekende schadepercentage te realiseren.” Een nadere onderbouwing ontbreekt. Het taxatierapport vermeldt verder een fysieke opname omstreeks 10 uur, terwijl foto’s bij het taxatierapport het tijdstip 12:34 uur vermelden.

5.5.

Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende in het geding gebrachte “factuur” van [naam 4] B.V. van 16 mei 2023. De “factuur” vermeldt een kilometerstand van 20.709 en een bedrag voor het herstellen van schade van € 18.634. De “factuur” blijkt na navraag door de Inspecteur daarover bij [naam 4] Groep niet meer dan een offerte te zijn (zie 2.8). De gemachtigde stelt dat hij hieromtrent navraag heeft gedaan bij belanghebbende, maar geen reactie heeft gekregen. Hij heeft verder geen actie ondernomen richting belanghebbende om de juiste gegevens boven water te krijgen.

5.6.

Het Hof neemt verder nog in aanmerking dat de taxateur van belanghebbende de waarde van de auto in beschadigde staat heeft bepaald op € 26.907, terwijl belanghebbende, die met zijn onderneming handelt in personenauto’s, via zijn onderneming € 20.800 heeft betaald voor een auto exclusief de volgens de aangifte verschuldigde bpm van € 22.328. Dat is een aanwijzing dat aan het taxatierapport niet de waarde kan worden toegekend die belanghebbende daaraan toekent. Daarbij komt dat op de inkoopfactuur delen zijn weggelakt en dat belanghebbende daarvoor geen verklaring heeft gegeven.

5.7.

Op grond van het hiervoor onder 5.3 tot en met 5.6 overwogene is het Hof met de Rechtbank en de Inspecteur van oordeel dat het taxatierapport van belanghebbende niet de staat van de auto weergeeft op het moment van het doen van aangifte bpm, hetgeen wel een vereiste is dat aan een taxatierapport wordt gesteld, en belanghebbende daarmee de gestelde handelsinkoopwaarde en waardevermindering niet aannemelijk heeft gemaakt. Het taxatierapport van belanghebbende kan niet dienen; het Hof laat het daarom buiten beschouwing.

Historische nieuwprijs, handelsinkoopwaarde en naheffingsaanslag

5.8.

DRZ heeft een rapport van hertaxatie opgesteld en daarbij een brutobedrag aan schade van € 13.120 in aanmerking genomen. De Inspecteur stelt dat moet worden uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel, omdat het rapport van hertaxatie niets meer is dan een beoordeling van het taxatierapport van belanghebbende, en dat als wordt overgestapt op het rapport van DRZ, dit rapport integraal moet worden toegepast. Het Hof begrijpt dat belanghebbende zich met haar subsidiaire standpunt beroept op de in het rapport van DRZ geconstateerde bevindingen en uitkomsten. Het Hof heeft zich, net als de Rechtbank in beroep en kennelijk de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag, aan de hand van het rapport van DRZ een goed beeld kunnen vormen van de schade aan de auto. Het Hof accepteert het rapport van DRZ als bewijs van de schade aan de auto ten tijde van de aangifte. Dat belanghebbende zich niet op dit rapport zou mogen beroepen, zoals de Inspecteur stelt, verwerpt het Hof. Dat kan alleen als blijkt dat het rapport van DRZ niet bruikbaar is omdat het ook geen goed of bruikbaar beeld geeft van de staat van de auto ten tijde van de hertaxatie, bijvoorbeeld omdat er nog steeds essentiële gebreken zijn die eerst moeten worden hersteld.

5.9.

De historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde van de auto zijn in geschil. Vast staat dat de auto niet voorkomt op een van de in Nederland in de handel algemeen toegepaste koerslijsten. Indien van een koerslijst van een referentievoertuig wordt uitgegaan voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van de auto, in dit geval van de koerslijst voor een Chevrolet Camaro, heeft te gelden dat de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt is. De door taxatie berekende waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van het referentievoertuig waarop de koerslijstwaarde is gebaseerd (Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.7).

5.10.

Het is aan belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat toepassing van de taxatiemethode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling, dan wel dat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de taxatiewaarde als geheel genomen te hoog heeft vastgesteld (HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.5 en 3.2.6). Belanghebbende is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. DRZ heeft in het rapport van hertaxatie de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat bepaald op € 56.660 overeenkomstig het referentievoertuig. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd waarmee hij aannemelijk kan maken dat de Inspecteur de taxatiewaarde, gelet op de verschillen tussen de auto en het ook door DRZ in aanmerking genomen referentievoertuig (de Chevrolet Camaro, zie in 2.5), als geheel genomen te hoog heeft vastgesteld. DRZ heeft namelijk geen rekening gehouden met bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van het referentievoertuig, hoewel het om een auto van een ander merk en model gaat en het vermogen van de auto (527 kW) bijvoorbeeld al aanmerkelijk hoger is dan van het referentievoertuig (333 kW). Ook de netto catalogusprijs is overgenomen van het referentievoertuig. Naar het oordeel van het Hof zijn, gelet op de verschillen tussen de auto en het referentievoertuig, waaronder dus het grote verschil in vermogen, de door belanghebbende en DRZ in aanmerking genomen netto catalogusprijs en handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat niet zonder meer bruikbaar voor het bepalen van de afschrijving ervan. Het Hof acht het aannemelijk dat het door de Inspecteur berekende afschrijvingspercentage op basis van de taxatiemethode eerder veel te hoog dan te laag is, zelfs als rekening wordt gehouden met een schadeaftrek van 72% van € 13.120, zoals belanghebbende bepleit. De stelling van belanghebbende met betrekking tot de 31%-regel behoeft daarom geen behandeling. De Inspecteur heeft terecht nageheven op basis van de forfaitaire tabel.

Vergoeding van immateriële schade

5.11.

Belanghebbende stelt dat recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg. Het bezwaarschrift is binnengekomen op 22 mei 2023. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 20 mei 2025, maar de Rechtbank heeft haar uitspraak pas bekendgemaakt op 23 mei 2025. Daarom bestaat recht op een vergoeding van immateriële schade, aldus belanghebbende.

5.12.

In zijn overzichtsarrest in het kader van immateriële schadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn als regel begint te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt derhalve niet op het moment dat een rechtbank haar uitspraak bekendmaakt via verzending per post of plaatsing in het webportaal van de Rechtspraak. Dit zou ook een onwerkbare situatie opleveren, omdat de rechtbank bij het doen van uitspraak niet weet op welk moment de uitspraak wordt bekendgemaakt. Op grond van artikel 8:79, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de griffier van de rechtbank immers twee weken de tijd kosteloos een afschrift van (het proces-verbaal van) de (mondelinge) uitspraak ter beschikking van partijen te stellen.

5.13.

De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 29 april 2025 gesloten en meegedeeld dat op 20 mei 2025 uitspraak zal worden gedaan. Het stond (de gemachtigde van) belanghebbende vrij om op 20 mei 2025 telefonisch bij de Rechtbank te informeren naar de beslissing dan wel bij de in het openbaar gedane uitspraak aanwezig te zijn. Met de uitspraak is het geschil en daarmee de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie ten einde gekomen.

Slotsom

5.14.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, M.J.M. van der Weijden en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs

De beslissing is op 24 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.