Burgerlijk procesrecht
Incident tot voeging in een zaak over de gevolgen van een olielekkage voor de kust van Peru.
Gerechtshof Den Haag, 31 maart 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:437 · Gerechtshof Den Haag · 31 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-437
Zaakgegevens
Op 31 maart 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 31 maart 2026
- Datum publicatie
- 23 maart 2026
- Zaaknummer
- 200.364.515/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.H.C Sinninghe Damsté, mr. M.N van Dam
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:437
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Incident tot voeging in een zaak over de gevolgen van een olielekkage voor de kust van Peru.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.364.515/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/667504 / HA ZA 24/481
Arrest van 31 maart 2026 in het incident (bij vervroeging)
in de zaak van
Repsol Perú B.V.,
gevestigd in Den Haag,
appellante,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Stichting Environment and Fundamental Rights,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. M.N. van Dam, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna Repsol NL en de Stichting.
1 De zaak in het kort
Repsol NL vordert in dit incident voeging van de onderhavige zaak met de zaak met zaaknummer 200.358.601 tussen de Stichting enerzijds en Refinería La Pampilla S.A.A. (hierna: La Pampilla) en Repsol SA (hierna: Repsol) anderzijds. Het hof wijst deze vordering toe.
2 Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
-
de ‘dagvaarding hoger beroep tevens incidentele vordering tot voeging’ van 20 januari 2026 (houdende drie grieven), waarmee Repsol NL in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 21 mei 2025;
-
de ‘antwoordakte incident tot voeging’ van 17 februari 2026 van de Stichting.
3 Aanleiding voor dit incident
De zaak gaat over de gevolgen van een olielekkage voor de kust van Peru. De getroffenen aldaar, verenigd in de Stichting, dagvaarden Repsol NL, La Pampilla en Repsol voor de Haagse rechtbank. In die procedure werpen Repsol NL, La Pampilla en Repsol bij incident de vraag op of de Nederlandse rechter bevoegd is en of de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen. De rechtbank verklaart zich bij vonnis in het incident van 21 mei 2025 bevoegd ten aanzien van Repsol NL en onbevoegd ten aanzien van La Pampilla en Repsol. De incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van de Stichting in haar vorderingen wijst de rechtbank af.
de Stichting heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, voor zover de rechtbank zich daarin onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van de vorderingen tegen La Pampilla en Repsol. Deze procedure is bij het hof bekend onder nummer 200.358.601.
Bij rolbeslissing van 27 augustus 2025 heeft de rechtbank besloten de zaak tegen Repsol NL aan te houden totdat op het hoger beroep van de Stichting is beslist.
Bij vonnis van 3 december 2025 heeft de rechtbank Repsol NL toegestaan tussentijds appel in te stellen tegen het vonnis in het incident van 21 mei 2025. Repsol NL heeft daarop de onderhavige appelprocedure aanhangig gemaakt.
4 De vordering in incident
Repsol NL vordert in dit incident voeging van de onderhavige appelzaak met de zaak met zaaknummer 200.358.601 tussen de Stichting enerzijds en La Pampilla en Repsol anderzijds. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat beide zaken verknocht zijn, omdat (i) zij aanhangig zijn voor dit hof en zien op hetzelfde incidentele vonnis van 21 mei 2025 in dezelfde zaak en (ii) in beide procedures grotendeels dezelfde vorderingen en rechtsvragen voorliggen.
De Stichting heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
5 Beoordeling van de vordering in incident
Beide zaken die bij het hof aanhangig zijn gaan over hetzelfde feitencomplex en zijn gericht tegen hetzelfde vonnis in een procedure waarbij de Stichting, Repsol NL, La Pampilla en Repsol betrokken zijn. In beide zaken speelt de (rechts)vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van de vordering van de Stichting kennis te nemen en in beide beroepen is ook de vraag aan de orde of de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen. Om het procesverloop in beide zaken beter op elkaar te kunnen afstemmen en om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen zullen de zaken worden gevoegd.
De incidentele vordering van Repsol NL zal dus worden toegewezen.
6 Beslissing
Het hof:
in het incident
- beveelt de voeging van de onderhavige zaak met de bij dit hof onder zaaknummer 200.358.601 aanhangige zaak;
- houdt de beslissing over de kosten van het voegingsincident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
-
bepaalt dat de zaak op de rol van 9 juni 2026 wordt geplaatst voor memorie van antwoord;
-
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, J.M. van der Klooster en K. Redeker, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.