Civiel recht overig

SO-procedure; onrechtmatige daad.

Gerechtshof Den Haag, 12 januari 2016

Zaakgegevens

Op 12 januari 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
12 januari 2016
Datum publicatie
23 maart 2023
Zaaknummer
200.177.104/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. M.W.R Koch te Amsterdam, mr. R.D. Lubach te Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2016:4418
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

SO-procedure; onrechtmatige daad.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.177.104/01

Zaaknummer rechtbank: C/09/473644/ HA ZA 14-1071

Arrest van 12 januari 2016

inzake

[appellant]

wonende te [woonplaats]

appellant

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.W.R. Koch te Amsterdam,

tegen

Dienst Wegverkeer (RDW),

zetelend te Zoetermeer,

geïntimeerde,

hierna te noemen: RDW,

advocaat: mr. R.D. Lubach te Amsterdam.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot aan 13 oktober 2015 verwijst het hof naar het arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 8 december 2015. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Ter comparitie is de mogelijkheid van de Second Opinion-procedure besproken. De behandelend advocaten hebben tijdens de comparitie een SO-formulier als bedoeld in artikel 3.2. van het Second Opinion Reglement (SOR) ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek is toegestaan, waarna arrest is bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure

1. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). De enige grief van [appellant] bestaat eruit dat de rechtbank Den Haag niet heeft beslist overeenkomstig hij in eerste aanleg had gevorderd.

2. Het hof- dat kennis heeft genomen van de stukken in eerste aanleg - verenigt zich met de beslissing van de rechtbank. Derhalve zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.

3. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door RDW betaalde griffiegeld van€ 1.937,00 en, nu een comparitie heeft plaatsgevonden, één punt volgens het toepasselijke liquidatietarief,€ 894,00.

Beslissing

Het hof

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van RDW begroot op een bedrag van € 2.831,00 waarvan € 1.937,00 voor griffiegeld en € 894,00 voor salaris advocaat;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.J. Ruijpers, J.J. van der Helm en H.J.M. Burg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2016 in aanwezigheid van de griffier.