Civiel recht overig

Second Opinion-procedure; achterstallige betaling creditcards

Gerechtshof Den Haag, 27 september 2016

Zaakgegevens

Op 27 september 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
27 september 2016
Datum publicatie
4 april 2023
Zaaknummer
200.188.666/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. J.C Hardam te Schiedam, mr. A.D. Lindenbergh te Rotterdam
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2016:4422
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Second Opinion-procedure; achterstallige betaling creditcards

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer: 200.188.666/01

Zaak-/rolnummer rechtbank: C/10/4 70625 / HA ZA 15-198

Arrest van 27 september 2016

In de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.C. Hardam te Schiedam,

tegen

International Card Services B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: ICS,

advocaat: mr. A.D. Lindenbergh te Rotterdam.

Het verdere verloop van het geding

Het verloop van het geding tot 26 april 2016 blijkt uit het tussenarrest van die datum waarin een comparitie na aanbrengen is bevolen. Ter comparitie, die heeft plaatsvonden op 5 juli 2016, is namens beide partijen toelating tot de Second Opinion-procedure verzocht.

Dit verzoek is toegestaan. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure

  1. Met het namens hen ter zitting gedane en toegestane verzoek (zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting) hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). Daarmee luidt de enige grief van [appellant] dat de rechtbank Rotterdam in het vonnis in verzet van 16 december 2015 niet heeft beslist overeenkomstig hetgeen hij in eerste aanleg had geconcludeerd.

  2. Het hof - dat kennis heeft genomen van de stukken van de eerste aanleg - neemt de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Derhalve zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.

  3. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door ICS betaalde griffiegeld van € 1.957,- en, nu een comparitie heeft plaatsgevonden, één punt volgens het toepasselijke liquidatietarief zijnde € 1.158,-..

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in verzet van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2015;

  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ICS begroot op € 3 .115,-, waarvan € 1.957,- voor verschotten en € 1.158,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, M.M. Olthof en M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2016 in aanwezigheid van de griffier.