Civiel recht overig
Artikel 224 Rv. Vordering tot zekerheidstelling. Procedure strekkende tot vernietiging van een arbitraal…
Gerechtshof Den Haag, 29 juni 2020
ECLI:NL:GHDHA:2020:1167 · Gerechtshof Den Haag · 29 juni 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2020-1167
Zaakgegevens
Op 29 juni 2020 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 29 juni 2020
- Datum publicatie
- 6 juli 2020
- Zaaknummer
- 200.270.819/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M Deckers te Amsterdam, mr. D. Knottenbelt te Rotterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1167
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 224 Rv. Vordering tot zekerheidstelling. Procedure strekkende tot vernietiging van een arbitraal vonnis moet worden gezien als een “andere op geschilbeslechting gerichte procedure”. Analoge toepassing van de regels zoals genoemd in ECLI:NL:HR:2019:1580.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.270.819/01
arrest van 7 juli 2020
inzake
Bariven S.A.,
gevestigd te Caracas, Venezuela,
eiseres in hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: Bariven,
advocaat: mr. M. Deckers te Amsterdam,
tegen
Surpass Commercial Corp. Ltd,
gevestigd te Beijing, Volksrepubliek China,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: Surpass,
advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.
Het geding
Het hof gaat uit van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 26 augustus 2019;
- de conclusie van antwoord van 24 maart 2020 (tevens houdende incidentele vordering ex art. 224 Rv); en
- de conclusie van antwoord in het incident ex art. 224 Rv van 14 april 2020.
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest in het incident gevraagd.
Beoordeling incidentele vordering op grond van art. 224 Rv.
1. Tussen partijen heeft in Den Haag een arbitrageprocedure plaatsgevonden volgens het arbitragereglement van de International Chamber of Commerce voor een scheidsgerecht bestaande uit drie leden (het Tribunaal). In die procedure – voor zover hier van belang – vorderde Surpass betaling van circa $ 48 miljoen van Bariven in verband met aan haar geleverde goederen op basis van een 26-tal purchase orders. Het Tribunaal heeft de vorderingen van Surpass toegewezen. Bariven vordert dat het hof het gewezen arbitraal (eind)vonnis van 27 mei 2019 vernietigt.
2. Surpass heeft aan haar incidentele vordering ten grondslag gelegd dat uit de dagvaarding blijkt dat Bariven niet is gevestigd in Nederland, maar in Venezuela. Op grond van art. 224 Rv zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. De in art. 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen doen zich in het onderhavige geval niet voor, aldus Surpass.
3. Bariven heeft als verweer onder meer aangevoerd dat in de onderhavige procedure geen vordering ex art. 224 Rv tegen haar kan worden ingesteld.
4. Op grond van art. 224 lid 1 Rv zijn in beginsel allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. De strekking van deze bepaling is te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft. Mede gelet op strekking van art. 224 Rv moet worden aangenomen dat art. 224 Rv van overeenkomstige toepassing is op andere op geschilbeslechting gerichte procedures dan de dagvaardings- of vorderingsprocedure. Ingevolge die overeenkomstige toepassing kan degene die het geding aanvangt ook in andere op geschilbeslechting gerichte procedures gehouden zijn zekerheid te stellen. Op grond van art. 353 lid 2 Rv kan in hoger beroep alleen zekerheid worden verlangd van de partij die (i) in eerste aanleg eiser of verzoeker (of daarmee gelijk te stellen partij) was, en (ii) in de hoofdzaak hoger beroep heeft ingesteld (Hoge Raad, 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580).
5. Nu Bariven in de arbitrageprocedure niet de eisende partij (of daarmee gelijk te stellen partij) maar gedaagde was, en in de onderhavige procedure als eisende partij bij het hof om vernietiging van het arbitraal vonnis vraagt, brengt analoge toepassing van de hiervoor in rov. 4 (slot) genoemde regels naar het oordeel van het hof mee dat de incidentele vordering van Surpass niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof realiseert zich dat de onderhavige procedure strekkende tot vernietiging van het arbitraal vonnis dient te worden gevoerd op de wijze van de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg. Dat neemt niet weg dat, gelet op de gevoerde arbitrale procedure (die als een “andere op geschilbeslechting gerichte procedure” moet worden gezien), Surpass moet worden aangemerkt als degene die in eerste instantie als oorspronkelijke eisende partij in Nederland een vordering heeft ingesteld tegen Bariven. Mede gelet op de ratio van art. 224 Rv (in het licht van de onder rov. 4 genoemde uitspraak van de Hoge Raad) behoeft Surpass aldus als oorspronkelijke eisende partij in de arbitrageprocedure, thans gedaagde, geen rechtsbescherming teneinde te voorkomen dat zij als winnende partij in deze procedure bij het hof wordt geconfronteerd met de oninbaarheid van een ten laste van Bariven uitgesproken proceskostenveroordeling. Hetgeen meer of anders is aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen nadere bespreking.
6. Het hof zal op grond van het voorgaande de vordering in het incident afwijzen en Surpass zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het incident worden veroordeeld.
Beslissing
Het hof:
in het incident:
- wijst de incidentele vordering van Surpass tot zekerheidstelling door Bariven af;
- veroordeelt Surpass in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van Bariven begroot op € 1.074, aan salaris van de advocaat;
in de hoofdzaak:
- verwijst de zaak naar de rol van 20 juli 2020 voor opgave verhinderdata tot en met december 2020 voor een comparitie van partijen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, M.T. Nijhuis en M.J. van Cleef-Metsaars, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 7 juli 2020 in aanwezigheid van de griffier.