Civiel recht overig
art. 29 Faillissementswet, schorsing van het geding, incidentele vordering tot stellen prejudiciele vragen…
Gerechtshof Den Haag, 6 oktober 2020
ECLI:NL:GHDHA:2020:1845 · Gerechtshof Den Haag · 6 oktober 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2020-1845
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2020 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2020
- Datum publicatie
- 2 oktober 2020
- Zaaknummer
- 200.270.783/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A Aaryf te Utrecht, mr. M. Kooiman te Rotterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1845
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
art. 29 Faillissementswet, schorsing van het geding, incidentele vordering tot stellen prejudiciele vragen afgewezen,
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.270.783/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/551643/ HA ZA 18542
arrest van 6 oktober 2020
inzake
Bridges2000 B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
appellante,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: Bridges,
advocaat: mr. A. Aaryf te Utrecht,
tegen
Mr G.J. Schras in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van MRC Techniek Rotterdam B.V.,
kantoorhoudende te Rotterdam,
geïntimeerde,
eiser in het incident,
hierna te noemen: de curator; de failliet wordt aangeduid als MRC,
advocaat: mr. M. Kooiman te Rotterdam.
Het geding
Bij exploot van 22 mei 2019, zoals hersteld bij exploot van 16 augustus 2019, is Bridges in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 27 maart 2019, hersteld bij vonnis van 24 april 2019. De zaak is aangebracht op de rol van 17 december 2019.
Bij brief van 6 december 2019 (nogmaals verzonden 19 december 2019) heeft de curator gesteld dat de procedure van rechtswege moet worden (het hof begrijpt: is) geschorst.
De rolraadsheer heeft, onder verwijzing naar HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0070 (Wertenbroek q.q./Van den Heuvel c.s.), hierop gereageerd met de mededeling dat de procedure niet van rechtswege is geschorst. Tegen de curator is verstek verleend.
Bij memorie van grieven met producties heeft Bridges tien grieven aangevoerd.
De curator heeft het verstek gezuiverd en bij memorie van antwoord tevens incidentele memorie voor alle weren tot het stellen van prejudiciële vragen met producties de grieven bestreden en een incident opgeworpen. Bridges heeft in het incident gereageerd bij conclusie van antwoord.
Vervolgens heeft de curator de stukken gefourneerd is arrest bepaald.
Beoordeling van de incidentele vordering
Het hof heeft kennisgenomen van de incidentele vordering tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad met de volgende inhoud:
“Dient schorsing van een procedure ex artikel 29 Fw plaats te vinden indien niet de curator, maar de wederpartij na faillietverklaring hoger beroep instelt tegen het eindvonnis dat vóór faillietverklaring is gewezen c.q. waarbij de procedure zich ten tijde van faillietverklaring in staat van wijzen bevond?”
Bridges heeft geconcludeerd tot afwijzing van deze vordering. Subsidiair wenst Bridges dat aanvullende prejudiciële vragen worden gesteld. Zij stelt voor de volgende vragen te stellen:
“2. indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is, maakt het dan nog uit of de curator zich inmiddels in de hoger-beroep-procedure heeft gesteld of dient de procedure waarin de curator zich heeft gesteld, te worden voortgezet?
3. Maakt het voor het antwoord op vraag 1 nog uit, of de procedure gaat om verifieerbare vorderingen of niet-verifieerbare vorderingen die zelfstandige betekenis hebben (zoals vorderingen ter revindicatie van eigendom of die tot doel hebben in rechte te doen vaststellen of een bepaald goed tot de failliete boedel behoort dan wel eigendom is van de wederpartij van de curator in de procedure)?
4. Maakt het voor het antwoord op vraag 3 nog uit of de vorderingen bij dagvaarding of memorie van grieven in hoger beroep na de faillietverklaring van de betreffende procespartij door diens wederpartij in de procedure zodanig zijn gewijzigd, dat daardoor helder tot uitdrukking komt dat het om niet-verifieerbare vorderingen gaat die zelfstandige betekenis hebben?
5. Is het recht op een eerlijk proces (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM) en het recht op eigendom (zoals bedoeld in artikel 1 EEP EVRM) geschonden, indien een partij door van rechtswege schorsing van het geding nergens haar (gewijzigde) vordering kan indienen teneinde in rechte vastgesteld te krijgen dat een bepaald goed haar eigendom is en niet tot de failliete boedel behoort?”
Het gaat in deze zaak, voor zover voor de beoordeling van het incident van belang, – kort samengevat – om het volgende:
a. Het geschil in de hoofdzaak betreft een constructie, bestaande uit drie onderdelen: een offshore gangway/loopbrug (bestaande uit een dertig meter lange loopbrug en een tien meter lange loopbrug) (hierna gezamenlijk: de loopbrug), een casco “ship access bridge” (hierna: SAB) en een speciaal voor de haven van Antwerpen ontworpen elektrisch koppelstuk tussen beide onderdelen (hierna: het koppelstuk); de constructie wordt gebruikt ten behoeve van cruiseschepen; de complete constructie wordt aangeduid als: de Gangway.
b. Bridges en MRC zijn een samenwerking aangegaan met betrekking tot de Gangway en hebben ter zake van de samenwerking afspraken gemaakt. De “NADERE OVEREENKOMST OVERHAUL EN TIJDELIJKE VERHUUR CRUISETERMINAL GANGWAY VERSIE I D.D. 18-4-2017” vermeldt in artikel 2.2.: “Bij de inschrijving alsmede bij de eventuele uitvoering van de opdrachten geldt voor zover dit nodig is voor Port of Antwerp dat MRC als inschrijver hoofdaannemer is en BRIDGES2000 onderaannemer is.” Artikel 2.4. van die overeenkomst houdt in: “Indien voor de lange termijn verhuur bedoelde tijdelijke gangway niet wordt aangekocht (…) door Port of Antwerp, dan betaalt BIDGES2000 in januari 2018 eenmalig een bedrag van 45.000 euro en is BRIDGES2000 vanaf dat moment 100% eigenaar van de (…) gangway.”
c. MRC heeft facturen van Bridges onbetaald gelaten en geweigerd medewerking te verlenen aan de overdracht van de Gangway. Bridges heeft MRC op 23 mei 2018 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. Bridges heeft daarbij in conventie gevorderd (uitvoerbaar bij voorraad), samengevat weergegeven:
-
MRC te veroordelen om Bridges een bedrag van € 238.756,18 te voldoen onder verrekening van een bedrag van € 45.000,-, oftewel totaal een bedrag groot € 193.756,18, met wettelijke rente;
-
MRC te veroordelen om binnen 3 werkdagen na datum vonnis de volledige en onbeperkte eigendom van de gangway (zoals door MRC aan het Havenbedrijf ter beschikking gesteld) aan Bridges (het hof begrijpt: over te dragen) en hiertoe alle benodigde leveringshandelingen te verrichten en/of hier medewerking aan te verlenen, met dwangsom en vordering buitengerechtelijke incassokosten; kosten rechtens.
Bridges maakt met haar vordering in conventie aanspraak op nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Het bedrag van € 45.000,- is het onder b. genoemde eenmalige bedrag.
MRC heeft in reconventie betaling gevorderd van Bridges van € 207.992,50, met wettelijke rente; kosten rechtens.
d. Bij vonnis van 12 maart 2019 is MRC op verzoek van de Ontvanger der Belastingen door de rechtbank Rotterdam in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator tot curator.
e. De procedure in eerste aanleg was op dat moment in staat van wijzen en heeft geresulteerd in het bestreden vonnis van 27 maart 2019. In dat vonnis heeft de rechtbank in conventie MRC veroordeeld tot betaling van de in het vonnis genoemde bedragen, onder verrekening van € 45.000,-. Voorts is MRC veroordeeld de Gangway over te dragen aan Bridges. De vordering in reconventie is afgewezen.
f. Bridges is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en heeft in de dagvaarding in hoger beroep gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en de oorspronkelijke vordering alsnog toe te wijzen. Bij memorie van grieven heeft zij haar eis gewijzigd. De vordering komt er thans op neer dat Bridges een verklaring voor recht vraagt dat zij primair op de voor dit geschil relevante data volledig eigenaar was van de Gangway (de loopbrug, de SAB en het koppelstuk), subsidiair dat zij hiervan op 29 januari 2018 volledig eigenaar is geworden, meer subsidiair dat het hof een verklaring voor recht afgeeft omtrent de eigendom van de Gangway, zoals het hof in goede justitie vermag te bepalen. In alle gevallen met bevel aan de curator om zich te onthouden van handelingen die de revindicatie van de Gangway kunnen bemoeilijken en om de op grond van het arrest vastgestelde eigendom van de Gangway jegens Havenbedrijf Antwerpen en de pandhouders te erkennen en te bevestigen. Voorts vordert Bridges een verklaring voor recht dat MRC niet beschikkingsbevoegd was ten aanzien van de Gangway. Voor het geval voornoemde verklaring voor recht niet wordt verleend, vordert Bridges een verklaring voor recht die erop neerkomt dat de Gangway gedeelde eigendom is van haar en MRC, dat MRC niet bevoegd was hierover zelfstandig te beschikken, dat de gedeelde eigendom wordt verdeeld en aan haar, Bridges, toekomt, waarbij het arrest in de plaats komt van de leveringshandeling, subsidiair een dwangvertegenwoordiger wordt benoemd, en meer subsidiair een zodanig effectieve uitspraak te doen als het hof in goede justitie vermag te bepalen. Verder vraagt Bridges om de curator in de kosten te veroordelen en te bepalen in hoeverre de kostenveroordelingen in eerste aanleg en hoger beroep boedelschulden zijn. Ten slotte verzoekt Bridges voor zover enige van de vorderingen wordt toegewezen de uitspraak te waarmerken als bedoeld in de Uitvoeringswet Verordening Europese Executoriale Titel.
De curator stelt zich op het standpunt dat de procedure van rechtswege is geschorst op grond van artikel 29 Fw.
Bridges stelt zich allereerst op het standpunt dat de onder het kopje “het geding”. genoemde beslissing van de rolraadsheer een bindende eindbeslissing is. Dit standpunt wordt niet aanvaard. Artikel 29 Fw werkt van rechtswege (HR 9 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1440, rov. 3.3, derde alinea) en vergt geen rechterlijke beslissing. Indien de rolraadsheer ten onrechte niet zou hebben geconstateerd dat de procedure geschorst is, dient die constatering alsnog te geschieden. Hiermee verwerpt het hof tevens de stelling van Bridges dat het voorstel tot het stellen van prejudiciële vragen een verkapt cassatieberoep is tegen de beslissing van de rolraadsheer.
Dit incident betreft de uitleg van art. 30 Fw. Dit artikel bepaalt dat indien vóór de faillietverklaring de stukken van het geding tot het geven van een beslissing aan de rechter zijn overgelegd, het tweede lid van artikel 25 en de artikelen 27-29 Fw niet toepasselijk zijn.
Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat het stelsel van regels omtrent schorsing uitsluitend ziet op de instantie waar het geding aanhangig is op het moment van faillietverklaring en niet op de instantie waarbij het geding nadien aanhangig is gemaakt, ongeacht welke partij het rechtsmiddel heeft ingesteld. Zie HR 9 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1440, HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0070, HR 23 september 2011 ECLI:NL:HR:2011:BQ8092 (in deze laatste twee zaken: rechtsmiddel ingesteld door de curator) en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1311 (rechtsmiddel ingesteld door de wederpartij van de bewindvoerder). Het laatste arrest betrof een zaak waarin hangende het hoger beroep de schuldsaneringsregeling op de schuldenaar van toepassing was verklaard, maar het geding door het hof ten onrechte niet was geschorst. In de daarop volgende cassatieprocedure schorst de Hoge Raad het geding niet alsnog op grond van art. 29 Fw., maar gaat hij in op de omstandigheid dat het beroep in cassatie tegen de schuldenaar was ingesteld: “Wanneer in de loop van het geding in hoger beroep op verweerder de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard, dient het geding in cassatie – voor zover de rechtsvorderingen voldoening van een verbintenis uit de boedel tot doel hebben – te worden voortgezet tegen de bewindvoerder.” De Hoge Raad geeft vervolgens gelegenheid de bewindvoerder alsnog in het geding te roepen. Uit het eindarrest in deze zaak (HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1263) blijkt dat de Hoge Raad het geschil in cassatie vervolgens ten gronde behandeld heeft.
Uit de hiervoor genoemde jurisprudentie kan het hof niet anders afleiden dat dat in het onderhavige geval het geding in hoger beroep niet van rechtswege is geschorst. Gelet op de stand van de jurisprudentie bestaat er in deze zaak geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen.
De vordering in het incident zal worden afgewezen.
De vraag of het verzoek voldoet aan 392 Rv, met name of onderdeel a of b van lid 1 wordt vervuld, behoeft geen bespreking meer.
De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de beoordeling van de hoofdzaak.
Beslissing
Het hof:
in het incident
-
wijst de vordering af;
-
houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de beslissing in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
- verwijst de zaak naar de rol van 20 oktober 2020 voor beraad partijen.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, F.R. Salomons en J.W. Frieling en is uitgesproken door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2020 in aanwezigheid van de griffier.