Civiel recht overig

Dexia / Tussenpersoon / Advisering / Wetenschap / BKR-registratie

Gerechtshof Den Haag, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
200.350.917/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, mr. J.B. Maliepaard
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3004
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dexia / Tussenpersoon / Advisering / Wetenschap / BKR-registratie

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.350.917/01

Zaaknummer rechtbank: : 11166257 EL 24-17

Arrest van 13 oktober 2026

in de zaak van:

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd in Amsterdam,

appellante,

hierna te noemen: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende in [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerde 1] c.s.,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1 De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 28 november 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: het bestreden vonnis).

2 De procedure in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep;

  • de memorie van grieven met producties;

  • de memorie van antwoord met producties;

  • de akte uitlaten producties van Dexia;

  • de antwoordakte van [geïntimeerde 1] c.s.

2.2.

Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De kern van de zaak

3.1.

Deze zaak gaat over drie effectenleaseovereenkomsten met de contractnummers [nummer 1] (hierna: effectenleaseovereenkomst I), [nummer 2] (hierna: effectenleaseovereenkomst II) en [nummer 3] (hierna: effectenleaseovereenkomst III), die alle zijn gesloten op 19 oktober 2000. Het hof zal de drie effectenleaseovereenkomsten in het vervolg tezamen aanduiden als ‘de Effectenleaseovereenkomsten’. Eerder is tussen partijen nog een andere effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen met contractnummer [nummer 4] (hierna: effectenleaseovereenkomst IV). Deze overeenkomst is geëindigd met een batig saldo.

De Effectenleaseovereenkomsten zijn tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde 1] c.s. via de tussenpersoon [naam] Adviseurs (hierna: B&VR). Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde 1] c.s. zijn geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde 1] c.s. vergoeden.

3.2.

[geïntimeerde 1] c.s. hebben gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat:

i. Dexia ter zake van de Effectenleaseovereenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde 1] c.s.;

ii. [geïntimeerde 1] c.s. schade hebben geleden als gevolg van dit onrechtmatig handelen, welke Dexia gehouden is te vergoeden, en;

iii. [geïntimeerde 1] c.s. de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd zijn.

[geïntimeerde 1] c.s. hebben tevens gevorderd dat de kantonrechter Dexia veroordeelt:

iv. te bewerkstelligen dat de registratie van [geïntimeerde 1] c.s. bij het Bureau kredietregistratie in Tiel (hierna: BKR) wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

v. tot voldoening aan [geïntimeerde 1] c.s. van al datgene wat [geïntimeerde 1] c.s. onder de Effectenleaseovereenkomsten hebben betaald aan Dexia, te vermeerderen met de wettelijke rente;

vi. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en;

vii. in de proceskosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.

Dexia heeft hiertegen verweer gevoerd en tegenvorderingen ingesteld. Dexia heeft gevorderd – voor zover in hoger beroep nog van belang – dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan onder de Effectenleaseovereenkomsten en [geïntimeerde 1] c.s. niets meer van haar te vorderen hebben. Dexia heeft tevens gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde 1] c.s. veroordeelt tot betaling aan Dexia van een geldsom van € 1.310,01, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten in re- en conventie.

3.4.

De kantonrechter heeft de vorderingen in conventie van [geïntimeerde 1] c.s. (met uitzondering van die welke strekt tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten) toegewezen en de vorderingen in reconventie van Dexia afgewezen. De kantonrechter heeft Dexia veroordeeld in de proceskosten in conventie en reconventie.

4 De beoordeling

4.1.

Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

4.2.

In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog afwijzen van de conventionele vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. en tot het alsnog toewijzen van haar, in hoger beroep gewijzigde reconventionele vordering, met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten in beide instanties. De wijziging van eis behelst dat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan en [geïntimeerde 1] c.s. niets meer van haar te vorderen hebben, ook betrekking heeft op effectenleaseovereenkomst IV.

4.3.

[geïntimeerde 1] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

Juridisch kader

4.4.

Dexia handelt als aanbieder van effectenleaseovereenkomsten ten opzichte van [geïntimeerde 1] c.s. onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde 1] c.s. (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde 1] c.s. is niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde 1] c.s. B&VR als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang.

Advisering

4.5.

Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:

  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;

  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;

  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.

Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.

4.6.

[geïntimeerde 1] c.s. hebben een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop B&VR in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten, onder “De feitelijke gang van zaken” in hun inleidende dagvaarding. De stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde 1] c.s. hebben telefonisch contact opgenomen met B&VR naar aanleiding van een krantenadvertentie waarin werd gewezen op de mogelijkheid om vermogen op te bouwen door te sparen. Hierna is een afspraak gemaakt voor een bezoek bij [geïntimeerde 1] c.s. thuis om de spaarmogelijkheden van [geïntimeerde 1] c.s. te bespreken met een financieel adviseur van B&VR. Tijdens dit bezoek is besproken dat [geïntimeerde 1] c.s. (extra) vermogen wensten op te bouwen. Voorts is besproken welke middelen [geïntimeerde 1] c.s. daarvoor beschikbaar zouden hebben. Naar aanleiding hiervan zijn [geïntimeerde 1] c.s. door de, met naam genoemde, adviseur van B&VR geadviseerd om de Effectenleaseovereenkomsten (te weten: het AEX Plus Effect) met Dexia te sluiten. Het product was volgens de adviseur van B&VR geschikt voor de situatie van [geïntimeerde 1] c.s. De adviseur heeft zijn advies onderbouwd met behulp van rekenvoorbeelden en een prognosevoorbeeld [geïntimeerde 1] c.s. hebben op de deskundigheid van de adviseur vertrouwd en het advies opgevolgd. Onder deze feiten en omstandigheden zijn de Effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen, aldus [geïntimeerde 1] c.s.

4.7.

Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde 1] c.s. en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [geïntimeerde 1] c.s. betrokken is geweest. Dexia betoogt dat uit de blote – en overigens ook onjuiste – stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. en de overgelegde producties niet volgt dat B&VR vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [geïntimeerde 1] c.s. Dexia wijst op de verlopen tijdsduur voordat hij voor het eerst de stelling heeft ingenomen dat er geadviseerd is, en op het feit dat afnemer al geruime tijd juridische bijstand genoot. Dexia meent dat deze omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing vormen voor de onjuistheid van de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. Dexia stelt dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat dat er inmiddels overvloedig bewijs is dat zij veelvuldig een geheel andere werkwijze hanteerden die niet is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van de tussenpersoon bij [geïntimeerde 1] c.s. en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. voor waar worden gehouden. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.

4.8.

Het hof overweegt als volgt. In deze procedure hebben [geïntimeerde 1] c.s. stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia in 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.

4.9.

Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen niet slechts zelden in algemene zin de afnemers pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de STE/AFM erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [geïntimeerde 1] c.s. komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen – pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.

4.10.

Meer concreet heeft Dexia in dit geval nog aangevoerd dat het betoog van [geïntimeerde 1] c.s. lacunes bevat. Dexia is van mening dat [geïntimeerde 1] c.s. weliswaar stellen dat er een huisbezoek plaats heeft gevonden, maar volgens Dexia wordt dit op geen enkele wijze onderbouwd.

4.11.

Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde 1] c.s. geschetste betrokkenheid van B&VR bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde 1] c.s., (ii) [geïntimeerde 1] c.s. het financiële doel aan de tussenpersoon bekend hebben gemaakt en (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct aan [geïntimeerde 1] c.s. heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde 1] c.s., en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde 1] c.s. overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die bevestigen dat B&VR met [geïntimeerde 1] c.s. de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, hebben [geïntimeerde 1] c.s. de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.

4.12.

Omdat Dexia de door [geïntimeerde 1] c.s. geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, zal het hof haar niet toelaten tot het leveren van (tegen)bewijs. Zij heeft onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van B&VR, met wie [geïntimeerde 1] c.s. ten tijde van de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten hebben gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde 1] c.s. om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen. Het betoog van Dexia dat zij niet eerder heeft kunnen weten dat [geïntimeerde 1] c.s. zich zouden beroepen op een schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999), wordt gepasseerd. Het moet Dexia, mede gezien (bijvoorbeeld) de WCAM-procedure en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, al veel eerder duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering(en) van [geïntimeerde 1] c.s. zij zich mogelijk zou moeten verdedigen, op welke grondslagen en voor welke schendingen.

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat B&VR vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde 1] c.s. in de zin van de prejudiciële beslissing.

Wetenschap Dexia

4.14.

Ter zake van de wetenschap van Dexia hebben [geïntimeerde 1] c.s. gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde 1] c.s. was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde 1] c.s. zijn dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde 1] c.s.

4.15.

Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde 1] c.s. en Dexia overgelegde producties, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat B&VR zich voorafgaand aan de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten tegenover [geïntimeerde 1] c.s. als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat B&VR aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde 1] c.s. door B&VR werden geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat in de naam van B&VR – [naam] Adviseurs – tot uitdrukking komt dat B&VR zich naar de buitenwereld presenteerde als (financieel) adviesbureau. Dit wekt de indruk dat B&VR ook advies zou kunnen geven over effectenleaseproducten. Dexia had in dit alles aanleiding moeten zien bij B&VR na te gaan of zij bij de totstandkoming van effectenleaseovereenkomsten, in ieder geval voor wat betreft het geval van [geïntimeerde 1] c.s., binnen de haar toegestane kaders als cliëntenremisier was gebleven. Nu Dexia dit heeft nagelaten, komt dat voor haar rekening. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat B&VR [geïntimeerde 1] c.s. advies heeft gegeven.

4.16.

Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

Verklaring voor recht ter zake van effectenleaseovereenkomsten I - III

4.17.

Dexia komt met haar voorwaardelijke grief IV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar in reconventie gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de Effectenleaseovereenkomsten wordt afgewezen. Omdat de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd, niet is vervuld, behoeft deze grief geen behandeling.

De door Dexia gevorderde verklaring voor recht ter zake van effectenleaseovereenkomst IV

4.18.

Dexia heeft gevorderd dat het hof voor recht verklaart dat Dexia ook onder effectenleaseovereenkomst IV niets meer aan [geïntimeerde 1] c.s. verschuldigd is. Tussen partijen is niet in geschil dat deze overeenkomst destijds met batig saldo is geëindigd en dat [geïntimeerde 1] c.s. daarom niets meer van Dexia te vorderen hebben. [geïntimeerde 1] c.s. hebben bij memorie van antwoord toegelicht dat zij nimmer een vordering hebben gepretendeerd die verband houdt met deze overeenkomst omdat zij geen schade hebben geleden ter zake van deze overeenkomst. De door Dexia gevorderde verklaring voor recht is dus toewijsbaar.

BKR-registratie

4.19.

Dexia komt met haar voorwaardelijke grief V op tegen het gebod van de kantonrechter dat Dexia – op straffe van een dwangsom – aan het Bureau kredietregistratie in Tiel bericht dat [geïntimeerde 1] c.s. geen verplichtingen uit de Effectenleaseovereenkomsten meer hebben. Dexia heeft aangevoerd dat zij het niet in haar macht heeft de gegevens van [geïntimeerde 1] c.s. in de registers van BKR door te halen omdat niet zij, maar BKR over een eventuele verwijdering beslist. Zij vindt het daarom onterecht dat de kantonrechter aan het gebod een dwangsom heeft verbonden. Deze grief faalt. Dexia ziet over het hoofd dat de kantonrechter Dexia niet heeft veroordeeld om de gegevens van [geïntimeerde 1] c.s. uit de registers van BKR te laten verwijderen, maar slechts om aan BKR door te geven dat [geïntimeerde 1] c.s. geen verplichtingen uit de Effectenleaseovereenkomsten meer hebben. Dat laatste heeft Dexia wel in haar macht.

Conclusie

4.20.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [geïntimeerde 1] c.s. en dat zij de schade van [geïntimeerde 1] c.s. volledig dient te vergoeden.

4.21.

Partijen zijn, met verwijzing naar rov. 4.13 van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde 1] c.s. verschuldigde schadevergoeding te berekenen. Anders dan Dexia met grief III aanvoert, behoeven [geïntimeerde 1] c.s. dus niet de openstaande restschuld aan Dexia te voldoen.

Slotsom en proceskosten

4.22.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

4.23.

Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5 De uitspraak

Het hof:

5.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis;

5.2.

verklaart voor recht dat Dexia ter zake van effectenleaseovereenkomst IV niets meer aan [geïntimeerde 1] c.s. is verschuldigd;

5.3.

veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. op € 362,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;

5.4.

veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;

5.5.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, M.C.M. van Dijk en R.F. Groos en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026 door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.

HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).