Civiel recht overig

Incident zekerheidstelling proceskosten. Immuniteit van jurisdictie.

Gerechtshof Den Haag, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
12 oktober 2026
Zaaknummer
200.363.433/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. R.R. Verkerk, mr. A.W.P. Marsman
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3035
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Incident zekerheidstelling proceskosten. Immuniteit van jurisdictie.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.363.433/01

Arrest van 13 oktober 2026 in het incident

in de zaak van

Het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië,

zetelend in Amman, Jordanië,

eiser,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. R.R. Verkerk, kantoorhoudend in Rotterdam,

tegen

1 Gruner Stucky Limited,

gevestigd in Renens, Zwitserland,

2. Bernard Gruppe ZT GmbH,

gevestigd in Hall in Tirol, Oostenrijk,

gedaagden,

eisers in het incident,

advocaat: mr. A.W.P. Marsman, kantoorhoudend in Amsterdam.

Het hof noemt partijen hierna Jordanië en Stucky c.s.

1 De zaak in het kort

1.1

Jordanië is in een arbitrale procedure veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan Stucky c.s. Het heeft bij dit hof vernietiging van het arbitrale vonnis gevorderd. Stucky c.s. heeft in dit incident zekerheidstelling voor de proceskosten gevorderd. Jordanië heeft verweer gevoerd en stelt dat het geen eiser in de zin van artikel 224 Rv is en dat hem immuniteit van jurisdictie toekomt. Het hof verwerpt deze verweren en wijst de vordering van Stucky c.s. toe.

2 Procesverloop

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 25 november 2025, waarmee Jordanië de vernietiging heeft verzocht van het tussen partijen gewezen arbitrale vonnis van 31 juli 2025, met producties;

  • de incidentele conclusie houdende vordering tot zekerheidstelling van Stucky c.s.;

  • de conclusie van antwoord in het incident van Jordanië;

  • de akte uitlaten in het incident van Stucky c.s.;

  • de akte uitlaten in het incident van Jordanië.

3 De vordering in incident

3.1

Stucky c.s. vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat Jordanië wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten waarin het in deze procedure kan worden veroordeeld, begroot op een bedrag van € 27.476, -. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd:

o Griffierecht € 851,-

o Salaris advocaat € 26.436, - (4 punten, tarief VIII)

o Nakosten € 189,-

3.2

Jordanië heeft hiertegen verweer gevoerd en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de incidentele vordering af te wijzen en Stucky c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het incident.

4 Beoordeling van de vordering in incident

4.1

Op grond van artikel 224 lid 1 Rv moet degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. Deze bepaling is op grond van artikel 353 lid 1 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat – zo volgt uit het tweede lid van dat artikel – in hoger beroep van de oorspronkelijke gedaagde geen zekerheid kan worden gevorderd.

4.2

Aan de gevorderde zekerheidstelling legt Stucky c.s. ten grondslag dat Jordanië als buitenlandse staat geen woonplaats in Nederland heeft en daarom op grond van artikel 224 Rv verplicht is zekerheid te stellen. Daarnaast voert Stucky c.s. aan dat Jordanië eerdere (proces)kosten uit de arbitrageprocedure nog niet heeft voldaan. Op grond van deze feiten vordert Stucky c.s. een zekerheidstelling voor de proceskosten, die zij begroot op € 27.476, -.

4.3

Jordanië voert verweer en stelt dat de incidentele vordering moet worden afgewezen. Het betoogt primair dat artikel 224 Rv niet van toepassing is, omdat dit artikel uitsluitend geldt voor oorspronkelijke eisers. Aangezien Jordanië in de arbitrale procedure gedaagde was, kan van hem geen zekerheidstelling worden gevraagd. Subsidiair voert Jordanië aan dat het op grond van artikel 17 van het Europees Immuniteitsverdrag, artikel 24 lid 2 van het VN-Immuniteitsverdrag en het internationaal gewoonterecht aanspraak maakt op immuniteit van rechtsmacht en executie. Om deze redenen dient, volgens Jordanië, de vordering tot zekerheidstelling te worden afgewezen.

4.4

Tussen partijen is niet in geschil dat Jordanië geen woon- of gewone verblijfplaats heeft in Nederland. Verder is gesteld noch gebleken dat de uitzonderingsgronden van artikel 224 lid 2 sub b t/m d Rv zich voordoen.

4.5

Over de vraag of Jordanië als oorspronkelijke eiser in de zin van artikel 224 Rv moet worden aangemerkt, overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 1064a Rv kan de vernietiging van een arbitraal vonnis worden gevorderd bij het gerechtshof van het ressort waarin de plaats van arbitrage is gelegen. Een vernietigingsprocedure is geen (verkapt) hoger beroep. Het hof treedt op als eerste instantie die de vernietiging beoordeelt. Dit betekent dat Jordanië in de vernietigingsprocedure bij het hof als de eisende partij moet worden beschouwd en Stucky c.s. als de gedaagde partij. Jordanië valt als eiser dus niet buiten het bereik van artikel 224 Rv.

4.6

Het beroep op artikel 17 van het Europees Immuniteitsverdrag, artikel 24 lid 2 van het VN-Immuniteitsverdrag en het gewoonterecht biedt Jordanië evenmin uitkomst. Artikel 17 van het Europees Immuniteitsverdrag bepaalt dat van een verdragsluitende staat geen zekerheidstelling kan worden gevorderd indien dit in de staat van het forum niet zou kunnen worden gevorderd van een persoon die in deze staat zijn woon- of verblijfplaats heeft. Jordanië is echter geen partij bij het Europees Immuniteitsverdrag en komt om die reden geen beroep toe op dit artikel. Daarnaast is van belang dat uit artikel 17 volgt dat een staat die wél bij het verdrag is aangesloten zich heeft verplicht om, als hij als eiser optreedt voor de rechter van een andere verdragsluitende staat, alle te zijnen laste komende kosten van het geding voldoet. Het verdrag bevat dus voor verdragsluitende staten een verplichting om te voldoen aan een eventuele proceskostenveroordeling. Aan die verplichting is Jordanië, als niet-verdragsluitende staat, niet gebonden, wat reden te meer is om van Jordanië wel zekerheidstelling te verlangen.

4.7

Artikel 24 lid 2 van het VN-Immuniteitsverdrag bepaalt dat een aangesloten staat geen zekerheid hoeft te stellen als hij als gedaagde wordt opgeroepen voor een rechter van een andere verdragsluitende staat. Dit verdrag is nog niet in werking getreden en Jordanië is ook bij dit verdrag geen partij. Maar zelfs al zou dat wel het geval zijn, dan stuit het beroep op artikel 24 lid 2 af op het feit dat Jordanië in deze vernietigingsprocedure niet de gedaagde partij is, maar de eiser.

4.8

Anders dan Jordanië aanvoert, volgt uit het internationale gewoonterecht niet dat van Jordanië niet kan worden verlangd dat het zekerheid stelt. Reeds omdat uit geen van beide verdragen volgt dat Jordanië niet verplicht kan worden zekerheid te stellen, faalt het beroep op het internationale gewoonterecht.

4.9

De conclusie is dat de incidentele vordering van Stucky c.s. tot zekerheidstelling zal worden toegewezen. Met betrekking tot de hoogte van het bedrag waarvoor zekerheid dient te worden gesteld, overweegt het hof dat aangesloten moet worden bij de proceskosten die Stucky c.s. verwacht te maken. Zij heeft die kosten begroot op € 27.467, -, wat het hof in ieder geval niet te hoog voorkomt. Jordanië heeft de omvang van dit bedrag niet betwist.

4.10

Het hof houdt de beslissing over de kosten van dit incident aan.

5 Beslissing

Het hof:

in het incident

  • beveelt dat Jordanië zekerheid stelt voor een bedrag van € 27.476, - voor de proceskosten;

  • bepaalt dat Jordanië deze zekerheid moet hebben gesteld in een vorm die aan de eisen van artikel 6:51 lid 2 BW voldoet, binnen drie weken na de datum van dit arrest, dus uiterlijk op 10 november 2026, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Jordanië in de hoofdzaak, waarna Stucky c.s. binnen twee weken de gestelde zekerheid moet accepteren of weigeren, op straffe van verval van haar bevoegdheid zekerheidstelling te eisen;

  • houdt de beslissing over de kosten van dit incident aan;

in de hoofdzaak

  • verwijst de zaak naar de rol van 24 november 2026 voor conclusie van antwoord van Stucky c.s.;

  • houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, M.E. Honée en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vgl. Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:565, r.o. 4.3.2.