Personen- en familierecht

Hoger beroep van een vonnis van de voorzieningenrechter, na tien maanden na het betreden vonnis is er nog…

Gerechtshof Den Haag, 21 juli 2026

Zaakgegevens

Op 21 juli 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
21 juli 2026
Datum publicatie
31 juli 2026
Zaaknummer
200.360.409/01
Procedure
Hoger beroep kort geding
Advocaat
mr. A Hayaty, mr. D Rezaie
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2491
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hoger beroep van een vonnis van de voorzieningenrechter, na tien maanden na het betreden vonnis is er nog steeds een belang in hoger beroep, met betrekking tot de dwangsom die de voorzieningenrechter had opgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.360.409/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/687545 / KG ZA 25-629

Arrest van 21 juli 2026 in kort geding

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. A. Hayaty, kantoorhoudend in Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D. Rezaie, kantoorhoudend in Amsterdam.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Midden Nederland,

hierna te noemen: de raad.

Het hof noemt partijen hierna de man en de vrouw.

1 De zaak in het kort

1.1

In geschil is nog slechts of een dwangsom moet worden verbonden aan de zorgregeling tussen de man en zijn minderjarige kinderen.

1.2

De man heeft tevens een incident tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis opgeworpen.

2 Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit het volgende:

  • de appeldagvaarding van 6 oktober 2025 tevens houdende grieven en een incident verzoek schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad, met bijlagen, verbeterd bij herstelexploot van 8 oktober 2025, verbeterd bij herstelexploot van 10 oktober 2025, waarmee de man in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 11 september 2025, hierna: het bestreden vonnis;

  • de beslissing van de rolraadsheer dat spoedappel is afgewezen;

  • de memorie van grieven van de man, met bijlagen;

  • de memorie van antwoord van de vrouw, met bijlagen.

2.2

Op 28 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht. De man is bijgestaan door mr. F. Mahboub, een waarnemend kantoorgenoot van zijn advocaat, alsmede door [tolk] , tolk in de Perzische taal. De vrouw is bijgestaan door haar advocaat, alsmede door [tolk] , tolk in de Perzische taal.

2.3

De raad is overeenkomstig zijn brief gedateerd 11 mei 2026 niet ter zitting verschenen.

2.4

De na te noemen minderjarigen hebben geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid hun mening over de zorgregeling aan het hof kenbaar te maken.

3 Feitelijke achtergrond

3.1

Partijen hebben de Iraanse nationaliteit. Hun huwelijk is op [datum] 2006 gesloten in Iran.

3.2

Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] Iran ( [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , Iran ( [minderjarige 2] ),

hierna tezamen: de minderjarigen.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 19 augustus 2019 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op [datum] 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4

Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit. De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.5

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2024 is - voor zover hier van belang en met wijziging in zoverre van de onder 3.1 van het ouderschapsplan van partijen opgenomen reguliere zorgregeling - bepaald:

"dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om het weekend van zaterdag 12.00 uur tot zondagavond na het eten bij

de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen op zaterdag om 12.00 uur ophaalt bij de

moeder en op zondag na het eten weer terugbrengt naar de moeder".

De eveneens in het ouderschapsplan opgenomen vakantieregeling is gehandhaafd.

4 Het bestreden vonnis

4.1

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad:

- de man veroordeeld de in de beschikking van 3 april 2024 vastgestelde zorgregeling

na te komen;

- de man veroordeeld om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat hij zijn medewerking aan de nakoming van deze zorgregeling weigert, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;

- de reconventionele vorderingen van de man afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

5 Vorderingen in hoger beroep

5.1

De man vordert in hoger beroep hetzelfde als in eerste aanleg. Hij vordert dat het hof uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de man alsnog toe wijst:

primair bepaalt dat de zorgregeling zoals bepaald bij beschikking van 3 april 2024 tussen de man en de minderjarigen tijdelijk wordt opgeschort, totdat de beslissing in de nader aanhangig te maken bodemprocedure is gewezen, althans voor de duur van zes maanden althans een tijdsperiode zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren;

subsidiair bepaalt dat de volgende tijdelijke zorg- en contactregeling tussen de man en de minderjarigen wordt vastgesteld: de minderjarigen verblijven éénmaal per veertien dagen bij de man, waarbij de vrouw hen op zaterdag om 12.00 uur bij de man brengt en dezelfde dag om 20.00 uur weer ophaalt.

5.2

De man verzoekt tevens de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen, voor zover dit de man verplicht de bij beschikking van 3 april 2024 vastgestelde zorgregeling onmiddellijk na te komen en de opgelegde dwangsommen te voldoen.

5.3

De vrouw concludeert dat het hof, voor zover als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de man ingestelde hoger beroep afwijst en het vonnis waarvan beroep te bekrachtigt, met veroordeling van de man in de kosten van dit geding.

6 Beoordeling in hoger beroep

Rechtsmacht en toepasselijk recht

6.1

Partijen hebben beiden de Iraanse nationaliteit zodat deze zaak een internationaal karakter heeft. Op grond van artikel 7 Verordening (EU) nr 2019/1111 (Brussel II-ter) is de Nederlandse rechter bevoegd van het onderhavige geschil inzake de zorgregeling kennis te nemen nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden op het tijdstip van de vordering.

6.2

Geen van partijen heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de toepassing van Nederlands recht, zodat het hof in deze zaak eveneens zal uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.

Spoedeisend belang

6.3

Gezien het feit dat het over een geschil gaat of al dan niet aan een omgangsregeling een dwangsom moet worden verbonden acht het hof nog steeds een (spoedeisend) belang aanwezig.

Incidentele vordering van de man

6.4

Nu het hof het door de man ingestelde incident gelijktijdig behandelt met de hoofdzaak heeft de man geen belang meer bij zijn schorsingsincident. Het hof zal de incidentele vordering van de man dan ook afwijzen.

Gedeeltelijke overeenstemming

6.5

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de tussen de man en de minderjarigen geldende zorgregeling sinds het bestreden vonnis wordt nageleefd en goed en prettig verloopt. Partijen zijn het daarover eens en hebben overeenkomstig verklaard. De advocaat van de man heeft vervolgens tijdens de mondelinge behandeling de grieven en vorderingen van de man in de hoofdzaak ingetrokken, met uitzondering van de grief die zich richt tegen de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom. Het hof maakt hieruit op dat de man de gronden van het hoger beroep in zoverre niet handhaaft. Dit brengt mee dat aan het hof geen beslissingen meer voorliggen over vorderingen in hoger beroep die niet zien op de opgelegde dwangsom.

Dwangsom

6.6

De man is ook in hoger beroep van mening dat het verbinden van een dwangsom aan de nakoming van de zorgregeling niet nodig is nu de zorgregeling goed verloopt. Volgens de man kwam hij eerder de zorgregeling niet na vanwege financiële problemen en het feit dat hij niet over een auto beschikte. De man wijst er daarnaast op dat de minderjarigen ouder en zelfstandiger worden en eigen keuzes (gaan) maken wat de zorgregeling betreft. De mogelijkheid dat de man dwangsommen verbeurt en dat de vrouw die bij hem kan innen veroorzaakt veel stress bij de man en zijn nieuwe partner. Dit wordt ingegeven doordat de minderjarigen zelf kunnen kiezen om geen (nauwgezette) invulling te geven aan de zorgregeling omdat zij andere activiteiten hebben. .

6.7

De vrouw is niet gerust dat de man de zorgregeling zonder de prikkel van een dwangsom blijft nakomen. Zij stelt dat de man pas na de oplegging van een dwangsom de regeling is gaan nakomen. Zij vreest dat hij zonder die dwangsom (weer) zal verslappen en zijn nieuwe gezin voorop zal stellen. Dat is niet in het belang van de minderjarigen en ook niet in haar belang, nu zij wegens een chronische ziekte regelmatig rust nodig heeft.

6.8

Het hof stelt het volgende voorop. Beide advocaten hebben desgevraagd bevestigd dat het geschil in hoger beroep alleen nog ziet op het al dan niet handhaven voor de toekomst van de door de voorzieningenrechter aan de nakoming van de zorgregeling verbonden dwangsom. Daarbij staat tussen partijen vast dat de man in de periode vanaf het bestreden vonnis tot aan de mondelinge behandeling geen dwangsommen heeft verbeurd. Bij een vernietiging van de dwangsom voor wat betreft het verleden bestaat dan ook geen belang.

6.9

Het hof overweegt voorts als volgt. Uit het ter zitting verhandelde is gebleken dat de tussen partijen bestaande situatie volledig is gewijzigd. De zorgregeling tussen de man en de minderjarigen loopt nu feitelijk al elf maanden goed. De man is om die reden ook geen bodemprocedure begonnen en heeft te kennen gegeven dat hij zich aan de huidige zorgregeling gebonden acht. Beide partijen hebben zich constructief jegens elkaar opgesteld en hun onderlinge verstandhouding is inmiddels genormaliseerd. Partijen zijn beiden blij met de manier waarop de zorgregeling nu verloopt. De minderjarigen vinden het leuk om bij de man, zijn nieuwe partner en hun baby van acht maanden te zijn. Gelet op de toezegging van de man dat hij zich aan de zorgregeling zal houden en geen bodemprocedure tot schorsing of wijziging van de regeling zal starten, en de positieve ontwikkelingen die zich de afgelopen elf maanden hebben voorgedaan, ziet het hof geen aanleiding meer voor het handhaven van de dwangsom. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre dan ook vernietigen. Het hof gaat er wel vanuit dat de man zijn toezeggingen gestand doet en zich ook in de toekomst aan de zorgregeling zal houden.

Proceskosten

6.10

Gelet op de familierechtelijke aard van het onderhavige geschil zal het hof de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De andersluidende vordering van de vrouw zal worden afgewezen.

6.11

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

  • vernietigt het bestreden vonnis met ingang van de datum van dit arrest voor zover de man in 5.2 van het dictum van dat vonnis is veroordeeld tot het betalen van de daar omschreven dwangsom met maximum indien hij de zorgregeling niet nakomt en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • wijst de inleidende vordering van de vrouw strekkende tot het opleggen van een dwangsom alsnog af met ingang van de datum van dit arrest;

  • compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.F. Mollema, mr. A.N. Labohm en mr. A.S. Mertens-de Jong en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.