Strafrecht overig
Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene, namelijk de…
ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9207 · Gerechtshof Den Haag · 10 april 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2013-bz9207
Zaakgegevens
Op 10 april 2013 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 april 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 22-0000 -12
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9207
Samenvatting
Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene, namelijk de redelijke termijn en de VI-regeling.
Uitspraak
PROMIS
Rolnummer: 22-000034-12
Parketnummer: 11-860378-11
Datum uitspraak: 10 april 2013
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 22 december 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortejaar] 1966,
laatst opgegeven adres: [adres] (Frankrijk),
thans gedetineerd in de P.I. Zuid West -
HvB De Torentijd te Middelburg.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 27 maart 2013.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 01 juni 2011 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 6372 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft/is verdachte opzettelijk - genoemde (grote) hoeveelheid heroïne in Rotterdam, in elk geval in Nederland, gekocht en/of - (vervolgens) met genoemde (grote) hoeveelheid heroïne (in een auto) richting de Nederlands-Belgische grens gereden;
subsidiair:
hij op of omstreeks 01 juni 2011 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6372 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof de hierna onder “Bespreking van de verweren” te vermelden aanvulling aanbrengt.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.
Bespreking van de verweren
Met betrekking tot de strafmaat
De raadsman heeft het volgende aangevoerd met betrekking tot de strafmaat:
1. er is sprake van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM;
2. ten aanzien van de verdachte is de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna:
VI-regeling) niet van toepassing, nu hij niet de Nederlandse nationaliteit heeft en evenmin een Franse verblijfsvergunning bezit,
hetgeen in de strafmaat verdisconteerd zou dienen te worden.
1. Redelijke termijn
Op 2 januari 2012 is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 22 december 2011 en het dossier is pas op 13 december 2012 door het hof ontvangen. Nu de inzendingstermijn van zes maanden derhalve met zes maanden is overschreden, is sprake van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM. Gelet op de voortvarende behandeling van het hoger beroep, nu op 10 april 2013, derhalve binnen zestien maanden na het instellen van hoger beroep arrest wordt gewezen, ziet het hof - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal - geen aanleiding voor strafvermindering en volstaat het met deze constatering.
2. VI-regeling
Het hof overweegt dat, nu de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling ex artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht de executie van de straf betreft, dit voor het hof geen aanleiding vormt om de strafoplegging te matigen.
Het hof ziet, in de door de raadsman naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte en gelet
op hetgeen hiervoor is overwogen – met de advocaat-generaal - geen aanleiding tot het opleggen van een lagere straf dan in de in eerste aanleg opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van voorarrest.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. S.A.J. van ’t Hul en mr. D. Jalink, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.