Strafrecht overig
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel, zoals in de bewezenverklaring…
Gerechtshof Den Haag, 10 maart 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:625 · Gerechtshof Den Haag · 10 maart 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2015-625
Zaakgegevens
Op 10 maart 2015 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 10 maart 2015
- Datum publicatie
- 24 maart 2015
- Zaaknummer
- 22-003607-14
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2015:625
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven.
Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Uitspraak
Rolnummer: 22-003607-14
Parketnummer: 10-096120-14
Datum uitspraak: 10 maart 2015
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats](Roemenië) op [geboortejaar] 1981,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 februari 2015.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2014 te Rotterdam opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [benadeelde partij], meermalen, althans éénmaal in/tegen het gezicht van de [benadeelde partij] heeft geslagen en/of gestompt en/of met een riem, althans een lang voorwerp op/tegen de rug en/of in/tegen het gezicht van die [benadeelde partij] heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2014 te Rotterdam opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [benadeelde partij], meermalen, althans éénmaal in/tegen het gezicht van de [benadeelde partij] heeft geslagen en/of gestompt en/of met een riem, althans een lang voorwerp op/tegen de rug en/of in/tegen het gezicht van die [benadeelde partij] heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Aldus heeft de verdachte het slachtoffer pijn en letsel bezorgd en een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 februari 2015, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging betoogd dat de verdachte en het slachtoffer doende zijn met het opzetten van een bedrijf, dat de relatie goed is en dat zij nog altijd zijn getrouwd en samen wonen. De raadsman heeft verzocht, gelet op deze stand van zaken en het belang dat de verdachte heeft bij het ontvangen van een Verklaring Omtrent het Gedrag, aan de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
Ter terechtzitting in hoger beroep is het slachtoffer door de verdediging als getuige meegebracht en gehoord. Dit verhoor heeft het hof evenwel niet het vertrouwen gegeven dat het recidivegevaar is verminderd. Ter voorkoming van recidive lijkt derhalve een voorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan in eerste aanleg opgelegd passend. Daarnaast is het hof – evenals de advocaat-generaal - van oordeel dat gelet op het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep een taakstraf van de hierna volgende duur dient te worden opgelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam, mr. I.E. de Vries en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 maart 2015.