Strafrecht overig
Het hof bevestigt het vonnis, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren in verband…
ECLI:NL:GHDHA:2018:4046 · Gerechtshof Den Haag · 18 december 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2018-4046
Zaakgegevens
Op 18 december 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 december 2018
- Datum publicatie
- 30 april 2025
- Zaaknummer
- 22-000871-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2018:4046
Samenvatting
Het hof bevestigt het vonnis, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren in verband met het witwassen van een geldbedrag van € 9.970,-.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-000871-18
Parketnummer(s): 10-996612-16
Datum uitspraak: 18 december 2018
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 4 december 2018.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt bevestigd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het cumulatief/alternatief onder a ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het cumulatief/alternatief onder b ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts is een beslissing genomen ten aanzien van het op de beslaglijst vermelde voorwerp (te weten: een geldbedrag van € 9.970,-), een en ander zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Hij op of omstreeks 18 maart 2016 te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
a. van één of meer voorwerp(en), te weten:
- contante bedragen tot een totaalbedrag van (circa) 9.970 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest (en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp (en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
en/of
b. één of meer voorwerp(en), te weten:
- contante bedragen tot een totaalbedrag van (circa) 9.970 euro, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve te worden bevestigd.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,
mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. M.A.J. van de Kar,
in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 december 2018.