Strafrecht overig

De verdachte heeft zich gedurende een periode van meer dan een jaar schuldig gemaakt aan belaging van haar…

Zaakgegevens

Op 2 mei 2019 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
2 mei 2019
Datum publicatie
6 juni 2019
Zaaknummer
22-001185-18
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2019:1397
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte heeft zich gedurende een periode van meer dan een jaar schuldig gemaakt aan belaging van haar ex-vriend en nadat haar in dat kader, ter voorkoming van verdere stafbare feiten, een gedragsaanwijzing was gegeven aan het opzettelijk handelen in strijd met die gedragsaanwijzing.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-001185-18

Parketnummer: 10-681285-16

Datum uitspraak: 2 mei 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1992,

BRP-adres: [woonadres] te [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 18 april 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 3 jaren en met de algemene en bijzondere voorwaarden zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep, alsmede tot een dadelijk uitvoerbare maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van drie jaren, inhoudende – kort gezegd - een contact- en locatieverbod, met de bepaling dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
zij, op of omstreeks 21 november 2016 te Papendrecht en/of Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 7 november 2016 en verlengd d.d. 11 november 2016 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam immers heeft verdachte opzettelijk contact opgenomen/gezocht met de in die gedragsaanwijzing genoemde [slachtoffer] door die [slachtoffer] (meermalen) berichten te sturen via whatsapp en/of sms en/of door (meermalen) ,via whatsapp en/of sms, berichten te sturen aan een vriend/kennis van die [slachtoffer] welke berichten (kennelijk) bedoeld waren en/of betrekking hadden op die [slachtoffer] ;

2:
(parketnummer 10-202285-16)

zij, in of omstreeks de periode van 14 augustus 2016 tot en met 7 november 2016 en/of in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 6 december 2017 te Papendrecht en/of te Rotterdam en/of te Dordrecht, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft zij, verdachte, (telkens) op verschillende data in voormelde periode (onder meer):

- veelvuldig, althans meermalen, telefonisch contact gezocht met die [slachtoffer] en/of met de ouder(s) van die [slachtoffer] en/of (WhatsApp-)berichten verstuurd naar die [slachtoffer] en/of

- familie en/of vrienden althans bekenden van die [slachtoffer] telefonisch en/of in persoon en/of via (WhatsApp-)berichten en/of anderszins (op hinderlijke en/of intimiderende wijze) benaderd (teneinde in contact te komen met die [slachtoffer] ) en/of

- een Instagram account op naam van die [slachtoffer] aangemaakt en/of (vervolgens) zich voorgedaan als die [slachtoffer] en/of (vervolgens) één of meer foto's van die [slachtoffer] en/of (daarbij) beledigende teksten (onder andere "gratis neuken [adres] ") op voornoemd Instagram account geplaatst en/of

- zich veelvuldig, althans meermalen, opgehouden in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer] en/of in de nabijheid van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] aangesproken en/of

- contact gezocht met de voetbaltrainer van die [slachtoffer] (te weten de [voetbaltrainer] ) en/of

- contact gezocht met de mentor van de school van die [slachtoffer] (te weten de [mentor] ) en/of die mentor verteld dat [slachtoffer] haar, verdachte, mishandeld zou hebben en/of drugs zou gebruiken en/of

- zich voorgedaan als een medewerker van de school van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) contact gezocht met de stagebegeleider van die [slachtoffer] (te weten de [stagebegeleider] ) en/of (vervolgens) gevraagd naar de werktijden van die [slachtoffer] en/of (daarnaast) die stagebegeleider verteld dat die [slachtoffer] haar, verdachte, mishandeld zou hebben en/of drugs zou gebruiken en/of

- contact gezocht met de leidinggevende van de moeder van die [slachtoffer] (te weten de [leidinggevende] ) en/of (vervolgens) een klacht ten aanzien van de moeder van die [slachtoffer] kenbaar gemaakt en/of

- heel veel spraakberichten via whatsapp aan die [slachtoffer] gestuurd (met beledigende en/of intimiderende inhoud in de richting van die [slachtoffer] en/of zijn familie) en/of

- facebookberichten betreffende die [slachtoffer] aan de neef en/of broer van die [slachtoffer] gestuurd en/of

- ( heel veel) berichten betreffende die [slachtoffer] op haar, verdachtes, instagramprofiel en/of facebookprofiel geplaatst en/of

- profielen op de website [website] en/of een profiel op [datingsite] aangemaakt waarbij de (contact)gegevens van die [slachtoffer] worden vermeld ten gevolge waarvan die [slachtoffer] door meerdere voor hem onbekende personen is benaderd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
zij, op of omstreeks 21 november 2016 te Papendrecht en/of Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 7 november 2016 en verlengd d.d. 11 november 2016 gegeven door de officier van justitie te Rotterdam immers heeft verdachte opzettelijk contact opgenomen/gezocht met de in die gedragsaanwijzing genoemde [slachtoffer] door die [slachtoffer] (meermalen) berichten te sturen via WhatsApp en/of sms en/of door (meermalen),via WhatsApp en/of sms, berichten te sturen aan een vriend/kennis van die [slachtoffer] welke berichten (kennelijk) bedoeld waren en/of betrekking hadden op die [slachtoffer] ;

2:
(parketnummer 10-202285-16)

zij, in of omstreeks de periode van 14 augustus 2016 tot en met 7 november 2016 en/of in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 6 december 2017 te Papendrecht en/of te Rotterdam en/of te Dordrecht, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft zij, verdachte, (telkens) op verschillende data in voormelde periode (onder meer):

- veelvuldig, althans meermalen, telefonisch contact gezocht met die [slachtoffer] en/of met de ouder(s) van die [slachtoffer] en/of (WhatsApp-)berichten verstuurd naar die [slachtoffer] en/of

- familie en/of vrienden althans bekenden van die [slachtoffer] telefonisch en/of in persoon en/of via (WhatsApp-)berichten en/of anderszins (op hinderlijke en/of intimiderende wijze) benaderd (teneinde in contact te komen met die [slachtoffer] ) en/of

- een Instagram account op naam van die [slachtoffer] aangemaakt en/of (vervolgens) zich voorgedaan als die [slachtoffer] en/of (vervolgens) één of meer foto's van die [slachtoffer] en/of (daarbij) beledigende teksten (onder andere "gratis neuken [adres] ") op voornoemd Instagram account geplaatst en/of

- zich veelvuldig, althans meermalen, opgehouden in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer] en/of in de nabijheid van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] aangesproken en/of

- contact gezocht met de voetbaltrainer van die [slachtoffer] (te weten de [voetbaltrainer] ) en/of

- contact gezocht met de mentor van de school van die [slachtoffer] (te weten de [mentor] ) en/of die mentor verteld dat [slachtoffer] haar, verdachte, mishandeld zou hebben en/of drugs zou gebruiken en/of

- zich voorgedaan als een medewerker van de school van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) contact gezocht met de stagebegeleider van die [slachtoffer] (te weten de [stagebegeleider] ) en/of (vervolgens) gevraagd naar de werktijden van die [slachtoffer] en/of (daarnaast) die stagebegeleider verteld dat die [slachtoffer] haar, verdachte, mishandeld zou hebben en/of drugs zou gebruiken en/of

- contact gezocht met de leidinggevende van de moeder van die [slachtoffer] (te weten de [leidinggevende] ) en/of (vervolgens) een klacht ten aanzien van de moeder van die [slachtoffer] kenbaar gemaakt en/of

- heel veel spraakberichten via WhatsApp aan die [slachtoffer] gestuurd (met beledigende en/of intimiderende inhoud in de richting van die [slachtoffer] en/of zijn familie) en/of

- facebookberichten betreffende die [slachtoffer] aan de neef en/of broer van die [slachtoffer] gestuurd en/of

- (heel veel) berichten betreffende die [slachtoffer] op haar, verdachtes, instagramprofiel en/of facebookprofiel geplaatst en/of

- profielen op de website [website] en/of een profiel op [datingsite] aangemaakt waarbij de (contact)gegevens van die [slachtoffer] worden vermeld ten gevolge waarvan die [slachtoffer] door meerdere voor hem onbekende personen is benaderd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van meer dan een jaar schuldig gemaakt aan belaging van haar ex-vriend en – nadat haar in dat kader, ter voorkoming van verdere stafbare feiten, een gedragsaanwijzing was gegeven – aan het opzettelijk handelen in strijd met die gedragsaanwijzing. De verdachte heeft haar ex-vriend lastiggevallen door zeer frequent en op diverse manieren contact met haar te zoeken, zoals door vele telefooncontacten en WhatsApp-berichten te sturen, maar ook door andere gedragingen jegens hem, terwijl het voor de verdachte volstrekt duidelijk was dat haar ex-vriend dit contact niet wenste. De verdachte heeft zodoende herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van haar ex-vriend.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2019.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Daarnaast acht het hof het passend en geboden om aan de verdachte, ter voorkoming van strafbare feiten, een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, op te leggen voor de duur van 3 jaren, inhoudende een contactverbod en gebiedsverbod op straffe van vervangende hechtenis zoals geformuleerd in het dictum van dit arrest.

Voorts zal het hof bevelen dat voormelde maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu de verdachte de bij vonnis d.d. 8 maart 2018 opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende het zich onthouden van direct of indirect contact met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ), niet heeft nageleefd en zij voorts nog maar zeer kort onder behandeling van een psycholoog staat. Daarom moet er naar het oordeel van het hof ook nu nog ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] .

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.250,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.250,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. Uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer d.d. 16 februari 2018 leidt het hof af dat het slachtoffer psychisch heeft geleden naar aanleiding van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van tenminste € 1.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van tenminste € 1.500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 184a en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is op geen enkele wijze (direct of indirect) contact op zal (laten) nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ), diens ouders [ouder 1] (geboren op [geboortedatum 3] ) en [ouder 2] , allen woonachtig aan de [adres] , alsmede de broer van het slachtoffer, [broer] .

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden binnen het gebied dat wordt begrensd door [gebied 1] , [gebied 2] , [gebied 3] en [gebied 4] te Papendrecht. Dit verbod strekt zich tevens uit tot de genoemde straten;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze de naam, gegevens of foto's van [slachtoffer] zal (laten) vermelden en/of afbeelden op het internet en/of op sociale media.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op voor de duur van 3 jaren de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde:

- zich niet zal bevinden binnen het gebied dat wordt begrensd door [gebied 1] , [gebied 2] , [gebied 3] en [gebied 4] te Papendrecht. Dit verbod strekt zich tevens uit tot de genoemde straten;

- zich zal onthouden van direct of indirect contact met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ), diens ouders [ouder 1] (geboren op [geboortedatum 3] ) en [ouder 2] , allen woonachtig aan de [adres] , alsmede de broer van het slachtoffer, [broer] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 december 2017.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar, mr. H.P.CH. van Dijk en mr. R.J. de Bruijn, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 mei 2019.